Wij willen jullie, oud-leden en oud-bestuursleden, enorm bedanken voor jullie bijdragen gedurende het lidmaatschap en in het bijzonder voor jullie inzet tijdens de bestuursperiode. Met het afscheid van het oude bestuur is de bestuurstermijn van het nieuwe bestuur officieel gestart: Max van Duijn als voorzitter, Vicky Kosta als algemeen bestuurslid en Olya Kudina als algemeen bestuurslid.

De volledige toespraak van voorzitter Max van Duijn lees je hieronder:
"Een blik naar buiten anno 2026 stemt niet direct vrolijk. Oorlogen maken duizenden slachtoffers en zorgen in hoog tempo voor grote politieke verschuivingen. Veiligheid en bestaanszekerheid zijn ook in ons land niet langer vanzelfsprekend. Zorgen over klimaat, vervuiling en een uitgeputte natuur drukken ons op de schouders, en verstikken volgende generaties. Sociale media hebben en destabiliserende werking op democratieën en samenlevingen.
Ik kan hier met een academische blik nog aan toevoegen: druk op het vrije woord rukt op, ook op plaatsen waar we dat niet hadden verwacht. AI en BigTech raken aan de grondvesten van wat we doen als kennisinstellingen. En relaties in binnen- en buitenland die lang als vanzelfsprekend golden, worden bevraagd of verbroken.
Toch zijn wij - het nieuwe bestuur van De Jonge Akademie: Daphina, Jim, Olya, Vicky en ik - optimistisch over de toekomst.
Ons optimisme is gegrond in de overtuiging dat de wetenschap superkrachten heeft - en dan bedoel ik de wetenschap als collectief, niet zozeer individuele wetenschappers, hoewel er sommige zijn die aardig in de buurt komen. We hebben zojuist tien nieuwe leden verwelkomd die als superheld geen slecht figuur zouden slaan. En dit geldt ook zonder meer voor de leden waarvan we vandaag afscheid nemen, in het bijzonder onze voorgangers in het bestuur.
Sanli, jouw talent om tegelijk dwars te liggen en ongelofelijk constructief te zijn is ongekend en veel van wat jij De Jonge Akademie als groep, en mij persoonlijk, hebt gegeven en geleerd de afgelopen jaren hopen we nog lang te kunnen meenemen.
Else, ook jij neemt afscheid als bestuurslid. Jouw weidse blik reikt tot ver buiten ons sterrenstelsel in je hoedanigheid als onderzoeker, maar laat niet af ook persoonlijke details scherp waar te nemen in de mensen om je heen. Gelukkig blijf jij nog een heel jaar aan als lid.
En Eddie, er valt voor mij nog veel te leren in de rol die ik van jou overneem, en ik hoop dat in de komende periode nog van jou te mogen doen in de lopende overdrachtsmomenten. Je hebt ongelofelijk hard gewerkt en onvermoeibaar gestreden voor kansengelijkheid en een eerlijker wetenschapssysteem, naast de talloze andere zaken die je aandacht wist te geven. Jouw scherpe analytische blik heeft De Jonge Akademie op veel onderwerpen brandstof gegeven waar we nog jaren op vooruit kunnen en niet zelden lukt het je die scherpte in onnavolgbare en humoristische metaforen uit te drukken, zoals De Jonge Akademie als chihuahua's van de wetenschap. Ik beloof dat we je strijd voort zullen zetten.
Wat bedoel ik precies als ik zeg dat de wetenschap superkrachten heeft? Daarmee bedoel ik dat de wetenschap een uniek vermogen heeft om lange-termijn te werken en denken. In de wetenschap wordt niet genavigeerd op één centraal belang dat van bovenuit de organisatie wordt bepaald en bewaakt - zoals marktaandeel of waardecreatie voor aandeelhouders. In de wetenschap zijn centrale doelen en missies altijd een mate van vaag. Dat is geen gebrek maar een voorwaarde voor iets wezenlijks: de vrijheid voor individuele wetenschappers om naar eigen inzicht vragen en prioriteiten te stellen - het fundament onder een pluriform en uiteindelijk effectief systeem.
Iedereen kent wel voorbeelden van serendipiteit in de wetenschap, waarbij ontdekkingen werden gedaan die soms jaren later ongedachte toepassingen bleken te hebben. Ik ga dit even schandalig persoonlijk illustreren. Toen ik 21 was werd er bij mij een bottumor ontdekt. “Tot de jaren ‘70 ging ruim 80% hieraan dood, nu is dat ongeveer 40%,” zei Taminiau, de toenmalige Leidse hoogleraar oncologische orthopedie tegen mij in zijn spreekkamer. Die 40 procentpunt extra overlevers sinds de jaren ‘70, waar ik waarschijnlijk toe behoor, heeft hun leven te danken aan talloze gedreven medici en verpleegkundigen, maar bijvoorbeeld ook aan de Italiaanse scheikundige Michele Peyrone, die in 1844 voor het eerst cisplatine synthetiseerde bij zijn werkzaamheden in Justus von Liebigs moleculaire pionierslab in het Duitse Giessen, en Barnett Rosenberg en Loretta VanCamp die ruim 100 jaar later in Michigan de cytostatische werking van dit zogenaamde “Peyrone-zout” ontdekten tijdens onderzoek naar bacteriegroei onder invloed van elektriciteit. En verder aan talloze patiënten die hebben deelgenomen aan experimentele behandelingen, vaak met lotingen waarbij letterlijk hun leven op het spel stond.
Het is maar één voorbeeld, maar het dringt door tot de kern. Vanuit het tijdperk van vóór moderne cytostatica leek het verdubbelen van de overlevingskans bij kanker een te grote opdracht, onbegonnen werk, hybris, luchtkastelenpraat. Maar ik prijs dit resultaat, dat tot stand kwam langs onvoorziene wegen en zijpaden, en via tal van betrokkenen elk met hun eigen vragen, nieuwsgierigheden en prioriteiten, in hun eigen vakgebieden, op tal van plekken verspreid over de wereld. Dit proces laat zich onmogelijk onder een algemene missie of opdracht vatten; het is “gewoon wetenschap”.
En ook op andere gebieden waar een oplossing te veel gevraagd lijkt, “onbegonnen werk”, heeft het proces van “gewone wetenschap” uiteindelijk een antwoord. Voor hoopgevende en inspirerende tussenstanden verwijs ik naar drie publicaties die in het afgelopen jaar door De Jonge Akademie zijn uitgebracht: de Green Young Academy op klimaat; Niet de eerste de beste op kansenongelijkheid; en het Big Tech manifest op strategische autonomie.
Behalve persoonlijk, is mijn voorbeeld disciplinair eenzijdig en zet het aan tot denken in termen van direct en onbetwistbaar nut: kanker behandelen. Het is mogelijk om met talloze voorbeelden te komen waar ook zulk direct nut werd gediend, langs even indirecte en ondoorgrondelijke wegen.
Zoals discussies in de geesteswetenschappen over de constructie van identiteit uit de jaren ‘70-90 (bijv. Judith Butler, 1988) die op veel plekken tot belangrijke stappen in de emancipatie van minderheden hebben geleid. Of werk uit de ontwikkelingspsychologie (bijv. James Heckman, 2006) dat aantoonde dat investeren in vaardigheden van achtergestelde kinderen op heel jonge leeftijd, veel hogere maatschappelijke en economische rendementen oplevert dan latere remediëring, een inzicht dat sindsdien talloze educatieve programma’s heeft geïnspireerd. Of hoe onderzoek en onderwijs gericht op diplomatie en grondige kennis van talen en regio’s een evident alternatief vormen, naast de ontwikkeling van drones en raketten, als we het directe nut van onze veiligheid en geopolitieke belangen willen dienen. Dit punt maakte ook Leids collegevoorzitter Luc Sels vorige week in een opiniestuk in Trouw; ik ben het hartgrondig eens met zijn analyse dat juist nu de internationale wereldorde in hoog tempo verandert, de geestes- en gedragswetenschappen een extra belangrijke rol te vervullen hebben in onze weg naar een weerbaar en veilig Europa.
Maar: we moeten oppassen niet te ver mee te gaan in het utiliteitsdenken. De waarde van wetenschap gaat natuurlijk veel dieper. Juist in het vermogen om mysterieuze fenomenen te verklaren, codes te ontcijferen, om onze denkruimte te vergroten en voorstellingen te maken van werelden die zich aan de directe waarneming onttrekken––van kwantum tot sterrennevel, cambrium tot toekomstmuziek, inferno tot utopia––en om wat wél direct waarneembaar is te bezielen met de kracht van interpretatie en theorie, dáárin vinden onderzoekers uit alle hoeken en vakgebieden elkaar. En ik ben ervan overtuigd dat veel van deze fascinaties door een heel breed publiek worden gedeeld.
Bij dit pleidooi voor een vrij en veelvormig academisch bestel, dat niet alleen een tastbaar maar ook een transcendentaal nut dient, wil ik nog twee opmerkingen plaatsen. Ten eerste wil ik niet zeggen dat wetenschap onstuurbaar is. Veel hangt af van goed doordachte incentive-structuren, en het is wat dat betreft een bijzonder moment voor ons dat Rianne Letschert, oud-lid en -voorzitter van De Jonge Akademie en een van de pioniers op het gebied van Erkennen en Waarderen, onze nieuwe minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is. Door bijvoorbeeld brede talentontwikkeling, diverse teams, kansengelijkheid voor jonge onderzoekers en werken in de openbaarheid te gericht te belonen, krijg je bewezen betere wetenschap.
Ten tweede: de overtuiging dat niet alleen de wetenschap zelf, maar uiteindelijk ook de maatschappij in tal van materiële en immateriële opzichten, het beste gediend is bij een pluriform en onafhankelijk academisch bestel, vrijwaart ons niet van het voeren van een betekenisvolle dialoog met de samenleving. Iedereen voelt aan dat deze dialoog verder moet gaan dan “laat ons maar onze gang gaan, dat is ook voor jullie het beste”.
De Jonge Akademie heeft gepleit voor Collectieve kennisontwikkeling - niet alleen achteraf zenden van onderzoeksresultaten, maar mensen als partners zien gedurende het hele wetenschappelijke proces, van verkenning en vraagstelling tot methode, interpretatie en implementatie. Heel waardevol en tegelijk uitdagend omdat hier óók een spanningsveld zit - enerzijds wil je allerlei expertise uit de maatschappij meenemen, en tegemoetkomen aan breed levende kennisbehoeften. Anderzijds wil je wetenschappelijke standaarden niet opofferen aan de verwachtingen die kunnen ontstaan als je een soort “u vraagt, wij draaien”- of “u vraagt, de wetenschap antwoordt”-houding aanneemt.
Wetenschappers kunnen namelijk behalve superhelpen ook hopeloze vragenbeantwoorders zijn waar het op heel concrete kennisbehoeften aankomt. Omdat openlijk debat en fundamentele twijfel wetenschappelijke basisprincipes zijn, zijn antwoorden uit de wetenschap per definitie nooit definitief en onomstreden: wie in academie om het hardst roept iets 100% zeker te weten, zonder daarin tegenspraak te dulden, is verdacht. De beste wetenschappers durven openlijk te twijfelen en treden evidentie die mogelijk hun positie ondergraaft, met interesse tegemoet. Als laatste illustratie roep ik hierbij graag een tweet van de befaamde Duitse viroloog Christian Drosten in herinnering. In het diepst van de coronapandemie publiceerde zijn team de resultaten van onderzoek naar viruslast en dus besmettelijkheid van jonge kinderen - informatie waar overheden reikhalzend naar uitkeken om belangrijke besluiten op te baseren, zoals die over het wel of niet openen van kinderopvang en scholen. Maar, tweette hij er direct achteraan, hier ook een link naar een belangrijk contra-stuk: een studie van onze Chinese collega’s die een tegenovergesteld resultaat vonden. Een treffende illustratie van hoe wetenschap een systeem van georganiseerde tegenspraak is, zoals voormalig KNAW-president Ineke Sluiter het mooi noemde. Op termijn is dit een robuust recept voor betere en verfijndere kennis, maar voor wie snel op concrete uitkomsten zit te wachten…
Kortom, wie een wetenschapper iets vraagt, krijgt een genuanceerd antwoord - of dat gewenst is, of niet. Ik heb wél de diepe overtuiging dat dit het beste genuanceerde antwoord is dat we hebben. Het vraagt misschien geduld en begrip van het wetenschappelijke proces, maar uiteindelijk is het altijd de moeite om een wetenschapper te laten uitpraten. Dit zeg ik nu als wetenschapper, maar de dialoog met de samenleving is pas echt succesvol als dit in de komende jaren wat vaker gezegd zou gaan worden door niet-wetenschappers.
De Jonge Akademie staat voor de toekomst van de wetenschap en voor een beter en eerlijker wetenschapssysteem - een waarin de superkrachten van gewone wetenschap optimaal worden opgewekt. Daarom zetten wij ons in voor het versterken van relaties tussen disciplines, tussen generaties - zodat juist ook de stem van jonge wetenschappers evenredig wordt gehoord - en tussen de universiteiten en andere onderwijsinstellingen en partners binnen academische wereld (NWO, UNL) in het binnenland, maar ook internationaal, omdat de wetenschap een fundamenteel grensoverstijgende onderneming is. Ook zetten wij de komende periode de brede expertise van onze leden in om deel te nemen aan belangrijke discussies binnen de Nederlandse wetenschap over AI, strategische autonomie en investeringen in defensie, vrede en diplomatie. En we zetten ons in voor het versterken van relaties buiten de academische wereld, met tal van groepen in de breedte van de samenleving. Op dit moment staan de sterren in Den Haag weer even gunstig, maar we moeten niet de fout maken te denken dat wat in Hongarije of de VS gebeurt, niet ook bij ons kan gebeuren. Sterke banden binnen en buiten de wetenschap zorgen dat we gezamenlijk sterker staan en wat vaker met één stem kunnen spreken wanneer de druk oploopt, als wetenschap én als maatschappij.
Dit alles zijn grote opgaven, die vereisen dat we voortvarend aan de slag gaan. Nu is het meest erudiete motto dat het nodige toekomstgerichte optimisme bondig vervat nét bezet - “het kan wél” - en daarbij zou de wetenschappelijk verantwoorde variant hiervan zoiets zijn als “het kan waarschijnlijk wel”, wat ook niet helemaal krachtig overkomt. U begrijpt, aan een passende lijfspreuk moet nog worden gewerkt. Het is ons een grote eer om hiermee, en met tal van andere zaken, als bestuur van De Jonge Akademie aan de slag te mogen gaan, ook met jullie - Sijmen, Maartje, Bé, Najeska, Esther - als bureau dat ons dagelijks zo goed ondersteunt in alle wat we doen. Persoonlijk dank ik vanaf deze plaats mijn instituut LIACS voor de ruimte die ik krijg om dit te doen (en dan richt ik me zowel tot het management team, hier aanwezig, als tot mijn collega’s en promovendi, hier ook vertegenwoordigd). En voor een leven lang ruimte, steun en stimulans dank ik mijn ouders, mijn superhelden, ook hier aanwezig.
En als bestuur danken we in het bijzonder jullie, DJA-leden, voor het vertrouwen in ons gesteld - het is onze hoogste prioriteit in de komende jaren dat elk van jullie zich gezien, gehoord en gesteund voelt - dáár mogen wij zonder wetenschappelijke nuance aan gehouden worden.