De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Visie van De Jonge Akademie op wetenschapsbeleid

13 februari 2014

Wetenschap heeft diverse vormen van ‘waarde’, biedt vele perspectieven op de werkelijkheid, is grenzeloos en kleurrijk. Er is geen enkel terrein in de samenleving dat niet beïnvloed wordt door wetenschap. Wetenschappers zijn zich er dan ook van bewust dat zij een grote verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van de maatschappij. Van kennisinstellingen, met name universiteiten, wordt veel gevraagd: excellent onderwijs, onderzoek en kennisvalorisatie.

Wetenschap moet in haar eigen kracht kunnen staan en op eigen merites worden beoordeeld. Deze hebben niet alleen betrekking op de intrinsieke waarden van wetenschap, maar ook op haar bijdrage aan de maatschappij.

Zichtbaarheid

Wetenschap heeft een toenemende impact op de samenleving en wordt bovendien voor het grootste gedeelte gefinancierd uit publieke middelen. Het publiek heeft dan ook het recht om op toegankelijke wijze geïnformeerd te worden over wat wetenschappers doen en hoe zij te werk gaan. Het debat aangaan met allerlei publieksgroepen in de samenleving - over ethische kwesties in onderzoek, over grote vragen en problemen in de wetenschap - is van groot belang. Wetenschappers moeten zichtbaar maken wat zij betekenen voor de samenleving en welk proces er ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van kennis en inzicht.

Zie ook: advies De Jonge Akademie: Tussen onderzoek en samenleving (2012), project www.kennisopstraat.nl

Wetenschap is gebaat bij openheid in het delen van de resultaten. Via Open Access en open datamanagement moeten de resultaten van wetenschappelijk onderzoek voor iedereen beschikbaar zijn. Dit moet de kosten van verspreiding drukken en toegankelijkheid van wetenschappelijke literatuur vergroten: belangrijk voor uitwisseling van kennis tussen instellingen in Europa en daarbuiten. De kosten van publiceren moeten beperkt blijven en kwaliteitsgarantie gehandhaafd. Het mandaat om te publiceren moet blijven berusten bij de onderzoeker zelf en kwaliteit van zowel journals als individuele publicaties dient beoordeeld te worden middels peer review.

Wie moet de vragen stellen?

Er is vanuit de politiek een groeiende wens tot sturing in de keuze van onderwerpen en het stellen van prioriteiten voor de wetenschap. Dit is voor publiek gefinancierd onderzoek tot op zekere hoogte vanzelfsprekend. Maatschappelijke uitdagingen en vragen vormen vaak aanleiding tot wetenschappelijk onderzoek. Maar sturing kan leiden tot verlies aan breedte in vakgebieden, wat nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van onderzoek en onderwijs op alle niveaus en voor innovatie op de langere termijn. Te strakke sturing heeft daardoor potentieel zeer nadelige gevolgen voor maatschappij en economie. Daarnaast mag sturing geen afbreuk doen aan de academische vrijheid. In het belang van kennisverwerving moeten wetenschappers hun eigen vragen kunnen stellen, waarbij nieuwsgierigheid naar nieuwe kennis de drijfveer is en de antwoorden niet op voorhand vaststaan of direct toepasbaar zijn. Academische vrijheid en onafhankelijkheid zijn noodzakelijk om te kunnen werken aan de grenzen van het weten.

Invloed vanuit politiek en bedrijfsleven mag niet leiden tot afkalving van onafhankelijkheid en kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek. Eenzijdige aandacht voor onderwerpen en sectoren die op dit moment bepaalde economische potentie lijken te hebben, leidt tot kortetermijnbeleid en minder aandacht voor ongebonden, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek dat onverwachte oplossingen kan bieden voor vragen en maatschappelijke problemen van morgen. Andere waarden van wetenschap dan economische, zoals het opleiden van jongeren tot kritische wereldburgers, bijdragen aan de kwaliteit van leven en waarheidsvinding, mogen niet in de verdrukking komen.

In zijn huidige vorm vormt het topsectorenbeleid van de Nederlandse overheid, een bedreiging voor wetenschapsbeoefening over de volle breedte. Niet alleen de alfa- en gammawetenschappen dreigen in het gedrang te komen, maar ook sommige gebieden binnen de bètawetenschappen, terwijl het budget voor ongebonden onderzoek afneemt. Voor een volwaardige, goed functionerende kennissamenleving zullen alle manieren waarop wetenschap waarde toevoegt voldoende ondersteuning en ruimte moeten krijgen. Een verarming van het wetenschappelijk landschap zou leiden tot een verkleining van kansen op innovaties en de mogelijkheid om in Nederland onderzoekstalent aan te trekken en te behouden.

Zie verschillende columns van De Jonge Akademie op het gebied van wetenschapsbeleid.

Sterke koppeling tussen onderwijs en onderzoek

Ontwikkeling van talent, persoonlijke vorming en kennisvergaring staan in onderwijs centraal. Kwaliteit moet dan ook voorop staan. Inspirerende leeromgevingen (geen lesfabrieken) zijn nodig, en een diversiteit aan opleidingen, zodat iedere leerling en student zijn of haar weg kan vinden. De kwaliteit van onderwijs is gebaat bij een sterke koppeling tussen onderzoek en onderwijs. Wetenschappelijk onderzoek en onderwijs behoren daarom bij één en hetzelfde ministerie ondergebracht zijn, te weten het ministerie van OCW.

Om goed universitair onderwijs te kunnen geven, moeten docenten onderzoek kunnen doen op het gebied waarin ze lesgeven. Om zowel kennis als academische vaardigheden over te kunnen dragen, dienen zij immers beide te beheersen c.q. te beoefenen. De waardering voor het geven van onderwijs moet binnen universiteiten toenemen.

Ook voor het primair en secundair onderwijs is een sterke koppeling tussen onderwijs en onderzoek belangrijk. Leerlingen en leraren moeten binnen hun opleiding onderzoek leren doen en zich een onderzoekende houding eigen maken. Zo worden nieuwsgierigheid en creativiteit gestimuleerd, evenals de vaardigheid om nieuwe kennis te vergaren. Een toename van het aantal docenten met een wetenschappelijke achtergrond is wenselijk. Wetenschappers moeten meedenken en meer betrokken worden bij het primair en secundair onderwijs, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van het vak Wetenschap en Techniek.

Zie verschillende columns van De Jonge Akademie op het gebied van wetenschapsbeleid, waaronder, De brede wetenschap die wij ons wensen en Pas op met Onderzoeksgeld.

Wetenschapsfinanciering

Gezien de ambitie van Nederland als kennissamenleving is een goede financiële basis voor alle vakgebieden en voor ongebonden, nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek onontbeerlijk. Dit type onderzoek krijgt alleen op universiteiten en kennisinstellingen de ruimte. Het maakt universiteiten aantrekkelijk voor onderzoekers, studenten, bedrijven, maatschappelijke organisaties en het bredere publiek dat zich wil blijven bijscholen en informeren. De geschiedenis leert dat juist nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek leidt tot verrassende ontdekkingen en nieuwe kennis die op allerlei manieren een plaats krijgt in ons dagelijks leven.

Een goede balans tussen de eerste en de tweede geldstroom is noodzakelijk. Universiteiten bieden via de eerste geldstroom een stabiele en vruchtbare omgeving voor ongebonden, nieuwsgierigheidsgedreven en langjarig onderzoek binnen het hele wetenschappelijke spectrum. Universiteiten moeten daarom in staat blijven om hun eigen onderzoeksprogramma’s te financieren en zelf onderzoekers aan te stellen en te behouden.

Gegeven de druk op de tweede geldstroom is een excellent onderzoeksvoorstel niet langer een garantie voor onderzoeksfinanciering. Een voldoende basisfinanciering via de eerste geldstroom is cruciaal voor (afdelingen binnen) universiteiten om kerntaken, zoals het opleiden van promovendi naar behoren uit te kunnen blijven voeren.

De tweede-geldstroomfinanciering van ongebonden onderzoek in zijn volle breedte is onder druk komen te staan. Voor een gedeelte van de tweede geldstroom is de nadruk komen te liggen op toegepast onderzoek in een beperkt aantal topsectoren, waarbij de samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid centraal staat. Deze topsectoren zijn sterk verzuild, bijna exclusief gericht op economische valorisatie en maken gebruik van een zeer beperkt aantal wetenschappers. Wanneer complexe maatschappelijke uitdagingen centraal worden gesteld, zoals dat gebeurt in de VS, Duitsland, Zweden en bij de Grand Challenges van de Europese Unie, wordt meer recht gedaan aan de behoeften en vragen vanuit de maatschappij, en beter voldaan aan randvoorwaarden voor innovatie. Een dergelijke benadering vraagt ook inbreng van verschillende disciplines, zodat dus veel meer wetenschappers kunnen bijdragen.

Zie verschillende columns van De Jonge Akademie op het gebied van wetenschapsbeleid, waaronder Misvattingen vertroebelen het topsectoren debat en Geen innovatie zonder wetenschap.

Loopbaanbeleid kennisinstellingen: veelzijdiger!

In het huidige stelsel is het percentage medewerkers met tijdelijke contracten binnen bepaalde onderzoeksgebieden zo groot dat de stabiliteit van het onderzoek in gevaar komt en vele onderzoekers losse contracten op elkaar moeten stapelen. Om een levensvatbaar en aantrekkelijk onderzoeksklimaat te kunnen bieden aan (inter)nationaal talent moet het aandeel vaste staf in kennisinstellingen niet verder worden verkleind, maar juist worden vergroot.

Universiteiten en andere kennisinstellingen moeten streven naar invoering van het loopbaanbeginsel. Zij moeten meer mogelijkheden krijgen om actief talentvolle wetenschappers te scouten en hun talentvolle wetenschappers een aantrekkelijk aanbod te kunnen doen. Hierbij dient de kwaliteit van de kandidaat (wat betreft onderzoek, onderwijs, bestuur en eventueel patiëntenzorg) zwaarder te wegen dan zijn of haar onderzoeksrichting.

Academische loopbanen moeten pluriformer worden. Naast het model van de toponderzoeker moeten carrièrepaden worden geopend voor excellente prestaties op andere gebieden binnen het universitaire bestel, zoals onderwijs, wetenschapscommunicatie en bestuur en beleid.

Zie verder: advies van De Jonge Akademie: Rendement van Talent (2010)

Interdisciplinariteit

Door de complexiteit van weenschappelijke en maatschappelijke uitdagingen neemt het belang van inter-, multi- en transdisciplinair onderzoek toe. Het wetenschapssysteem moet hier verder op worden ingericht, zo moet het onder andere gemakkelijker worden om voor een project vanuit meerdere disciplines aanvragen te doen bij NWO. Ook moeten er meer instrumenten van kennisuitwisseling komen waardoor onder andere best practices beter worden geborgd. Tegelijkertijd moet er ook ruimte blijven voor waardevolle monodisciplinariteit.

Internationalisering

Op het gebied van onderzoek, onderwijs en innovatie wordt de concurrentie groter, denk aan de te verwachten war for talent en de schaarste op het gebied van grondstoffen. Tegelijk liggen er ook kansen voor samenwerking. Verbondenheid met de samenleving op alle niveaus (regionaal, nationaal, Europees en mondiaal) is voor kennisinstellingen van steeds groter belang. Landen raken meer en meer met elkaar verweven. Het aandeel van de Europese kaderprogramma’s wordt steeds groter. Vraagstukken op het gebied van bijvoorbeeld klimaatverandering, vergrijzing, immigratie, oorlog en conflict zijn mondiaal. Een grotere internationale mobiliteit binnen onderwijs en wetenschap is nodig voor het opdoen van vaardigheden en kennis, maar zeker ook voor het uitbouwen van een sterk internationaal netwerk. Om internationaal goed te kunnen concurreren, is het belangrijk om goede voorwaarden te kunnen bieden aan goed opgeleide werknemers. Bedrijven en internationale organisaties zullen zich dan in Nederland willen vestigen.

Zie verder: 'Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland' (WRR 2013)

Indicatoren en meetbaarheid

Bij het werken met kwaliteitsindicatoren moet minder nadruk worden gelegd op kwantiteit en meer op kwaliteit, en moet rekening worden gehouden met de eigenheid van verschillende wetenschapsgebieden. Indicatoren op de terreinen van onderzoek, onderwijs en impact op de samenleving, zullen in hun onderlinge samenhang moeten worden bekeken.

Hierbij moet worden aangetekend dat alle indicatoren eigen problemen en beperkingen met zich meebrengen. Wetenschap is immers niet te vatten in een set waterdichte indicatoren en is slechts in beperkte mate meetbaar en stuurbaar. Daarom is peer review op dit moment het beste instrument dat kan worden toegepast voor het beoordelen van kwaliteit.

Ook voor het maatschappelijke belang van wetenschap moet – per vakgebied – een kwalitatief goed instrumentarium worden ontwikkeld dat recht doet aan de toenemende behoefte aan valorisatie. Activiteiten op het gebied van wetenschapscommunicatie en –educatie moeten worden gezien en erkend als belangrijke vorm van kennisvalorisatie. Daarom zouden ze een plaats moeten krijgen in de beoordelingen van individuele onderzoekers, evenals in de onderzoeksvisitaties en in de evaluaties van onderzoeksfinancierende instellingen zoals NWO. In het verlengde hiervan dienen de beoordelings- en bevorderingscriteria voor wetenschappelijke staf te worden uitgebreid met activiteiten in wetenschapseducatie en –communicatie. Deze activiteiten kunnen deels in de plaats komen van andere taken als management of onderwijs

Zie verder adviezen De Jonge Akademie: Tussen onderzoek en Samenleving (2013) en Kennis over publiceren (2012) maar ook Kwaliteitsindicatoren Sociale Wetenschappen (KNAW 2013) en Kwaliteitsindicatoren Geesteswetenschappen (KNAW 2012)

Documenten

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken