De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Hervorm het promotierecht

18 maart 2010

Filosofe Ingrid Robeyns pleit voor het openbreken van het promotierecht: sta ook andere senior wetenschappelijke medewerkers toe promotor zijn, niet alleen (bijzonder) hoogleraren. Stukken rechtvaardiger en bovendien financieel haalbaar voor kleine disciplines, zoals in de geesteswetenschappen.

In de praktijk wordt een aanzienlijk deel van het begeleidingswerk van promovendi, en het verwerven van onderzoeksgelden waarmee promovendi kunnen aangesteld worden, niet door hoogleraren gedaan maar door andere universitair medewerkers.  Andere universitaire medewerkers zoals senioronderzoekers, universitair docenten (UDs) of universitair hoofddocenten (UHDs),  kunnen weliswaar copromotor worden, maar geen promotor. In dergelijke gevallen wordt meestal de hoogleraar die de leerstoelhouder is promotor, ook al heeft deze persoon geen speciale expertise of interesse in het onderwerp waarnaar de promovendus onderzoek doet. Het probleem met de huidige invulling van het promotierecht is dat het onrechtvaardig, suboptimaal en achterhaald is.

Onrechtvaardig

Het is onrechtvaardig omdat de hoogleraar-promotor in staat wordt gesteld symbolisch krediet te verwerven voor iets waarvoor hij of zij weinig of geen werk heeft verricht. En het is nog veel onrechtvaardiger omdat de effectieve begeleider die geen hoogleraar is, niet het volledige krediet krijgt waar hij of zij recht op heeft. Deze persoon krijgt niet de erkenning die zij verdient, ook al doet zij bijna al het begeleidingswerk. Binnen de rechtvaardigheidsfilosofie is het al lang een breed gedeelde visie dat rechtvaardigheid niet alleen over verdelingsaspecten (zoals financiële middelen) gaat, maar ook over respect en erkenning. De effectieve begeleider die geen hoogleraar is, wordt dus onrechtvaardig behandeld door de wetgeving en de daaruit voortvloeiende praktijken.

Suboptimaal

Bovendien is het huidige promotiesysteem suboptimaal. Het zadelt sommige hoogleraren op met verantwoordelijkheden voor promotietrajecten waar ze inhoudelijk onvoldoende in gespecialiseerd zijn; vooral in de kleinere faculteiten is een hoogleraar verantwoordelijk voor een heel breed vakgebied, en is zelden specialist in al de deeldomeinen. Verder zijn veel hoogleraren chronisch overbelast; waarom hen dan nog extra werk bezorgen dat evengoed of beter door anderen kan gebeuren? Bovendien is het huidige promotiesysteem niet verdedigbaar vanuit het perspectief van een degelijk personeelsbeleid, want het demotiveert de UDs en UHDs die het echte begeleidingswerk verrichten. Heel wat UDs en UHDs die de primaire begeleider van een promovendus zijn, zijn geïrriteerd, boos, of beledigd. Het is een doorn in het oog van deze mensen – al helemaal indien hun persoonlijke verhouding met de hoogleraar-promotor niet optimaal is – en dit leidt tot een hoop onvrede die niet bijdraagt aan positieve energie, arbeidsvreugde of arbeidsproductiviteit.

Haalbaarheid

Vorig academiejaar hoorde ik Ronald Plasterk, tijdens een conferentie over het succesvol leiden van wetenschappelijke groepen, beargumenteren dat de oplossing van bovenstaande problemen eenvoudig was: talentvolle mensen moesten sneller hoogleraar kunnen worden – niet als ze 50 worden, maar als ze 35 zijn. Misschien zijn er in de disciplines waarin Plasterk thuis is voldoende middelen om iedereen die een groot NWO project binnenhaalt en daardoor promovendi gaat begeleiden, hoogleraar te maken. Maar in kleine disciplines, zoals de meeste disciplines in de geesteswetenschappen, is dit financieel absoluut ondenkbaar. Een concreet voorbeeld: in mijn eigen leerstoel praktische filosofie zijn vier vaste medewerkers, waarvan er 3 mede dankzij NWO-projecten promovendi begeleiden. Moeten wij dan een leerstoel worden met drie hoogleraren, één UD, en een half dozijn promovendi en postdocs? Het moge duidelijk zijn dat Plasterks oplossing financieel gezien niet haalbaar is voor de disciplines die klein zijn en/of krap bij kas zitten.

Openbreken promotierecht

Maar gelukkig is er een veel eenvoudigere en budget-neutrale oplossing: breek het promotierecht open, en sta ook andere senior wetenschappelijke medewerkers toe om promotor te zijn. Dat hoeft helemaal niet te leiden tot een verlies aan controle over de wetenschappelijke kwaliteit van de proefschriften. Er zijn eenvoudige manieren om andere waarden, zoals controle over het begeleidingsproces en de kwaliteit van het proefschrift, te beschermen. Men kan formele eisen toevoegen aan het promotorschap, zoals minimaal twee keer copromotor of commissielid zijn geweest. Of men kan een facultaire doctoraatscommissie instellen die zowel de aanstelling van de promotor en eventuele copromotoren moet goedkeuren en ook het onderwerp en het uitgebreide onderzoeksvoorstel moet goedkeuren. Dat is hoe ik het promotiesysteem aan de Universiteit van Cambridge zelf heb ervaren, en zo werkt het ook in België. Als men in de landen rond ons heen UDs en UHDs toelaat om de eindverantwoordelijkheid te dragen voor het werk van promovendi, waarom zou dat aan de Nederlandse universiteiten dan ook niet kunnen?


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken