De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De brede wetenschap die wij ons wensen

12 september 2012

Gepubliceerd in NRC: standpunt van De Jonge Akademie over het voorstel van Wientjes om wetenschapsbeleid over te hevelen naar Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

De Nederlandse wetenschap bevindt zich steeds meer in de greep van een economische benadering: kennis moet worden ontwikkeld om de economie te versterken. We zijn het normaal gaan vinden dat wetenschap voortdurend in één adem wordt genoemd met innovatie. Zo normaal zelfs dat Bernard Wientjes, voorzitter van VNO/NCW, onlangs door Science Guide liet optekenen dat het hele wetenschapsbeleid naar het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) overgeheveld zou moeten worden. Wientjes negeert daarbij dat veel wetenschappelijk onderzoek ontzettend waardevol is, maar niet -economisch- nuttig op korte termijn. Daar kan EL&I dus niets mee. Of gaan we EL&I laten beslissen of we in onze samenleving onderzoek willen doen naar antieke geschiedenis, ecosystemen, het sterrenstelsel, of morele filosofie?

Het is evident dat het in het belang van VNO/NCW is om het wetenschapsbeleid onder te brengen bij EL&I. Maar waarom zou de bijdrage van wetenschap aan innovatie zo’n enorme prioriteit moeten krijgen? De sociale sector, die veel samenwerkt met wetenschappers om maatschappelijke problemen op te lossen, zou misschien wel wetenschapsbeleid bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid willen zien. En milieuorganisaties zien vast wel iets in een fusie van wetenschapsbeleid met Infrastructuur en Milieu. Het is veelzeggend dat alleen VNO/NCW voorstelt om zich het wetenschapsbeleid volledig toe te eigenen. De maatschappelijke betekenis van wetenschap reikt zoveel verder dan de economie. Wetenschap helpt ons om onszelf en de wereld om ons heen beter te begrijpen. De wetenschappelijke manier van denken, met haar onderzoekende houding en zelfkritiek, speelt een centrale rol in de vorming van jonge mensen. Wetenschap draagt bij aan welzijn en gezondheid, aan de kwaliteit van politieke besluitvorming, aan het behoud van cultureel erfgoed. Al deze vormen van waarde kan de wetenschap alleen maar realiseren als ze zich vrij kan blijven ontwikkelen. Onderzoek doen is onvoorspelbaar, resultaten laten zich niet afdwingen, en toepasbaarheid is niet vanzelfsprekend. Om recht te doen aan deze eigen aard van de wetenschap is het van groot belang dat ze in een ministerie is ondergebracht dat zich primair bekommert om de wetenschap zelf, en de toepassingen laat financieren uit andere budgetten, die daarvoor bedoeld zijn. Bovendien zijn onderzoek en onderwijs onlosmakelijk verbonden. Wetenschapsbeleid hoort daarom thuis bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Wientjes vindt ook dat universiteiten meer beloond zouden moeten worden voor promoties in de gebieden van de topsectoren die dit kabinet heeft ingesteld om wetenschap en bedrijfsleven beter te laten samenwerken - en die hij ten onrechte geheel laat samen vallen met de bèta-wetenschappen. Dit voorstel laat pijnlijk zien hoe beperkt de instrumenteel-economische zienswijze is. De alfa- en gamma-wetenschappen hebben maatschappelijk immers minstens zoveel waarde als de bèta-wetenschappen. De problemen van de multiculturele samenleving, terrorismebestrijding, en een beter begrip van onze geschiedenis, bijvoorbeeld, zitten niet in de topsectoren maar vergen wel wetenschappelijk onderzoek. De grote denkfout achter de instrumenteel-economische visie is dat ze alleen maar economische waarde erkent, en daardoor de andere waarden van de wetenschap verdrukt. De eerste gevolgen van het topsectorenbeleid laten dat al zien. Omdat het topsectorenbeleid niet alleen wordt gefinancierd uit het innovatiebudget maar ook uit het wetenschapsbudget, blijft er aanmerkelijk minder financiering over voor fundamenteel onderzoek, zeker voor disciplines die buiten de topsectoren vallen. Zoals Robbert Dijkgraaf het uitdrukte: “het innovatiebeleid kannibaliseert het wetenschapsbeleid.” De wetenschap kent een veel rijker palet aan waarden. Ze kan ook bijdragen aan oplossingen voor grote maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering, de verzuring van de oceanen, religieuze en etnische conflicten, demografische ontwikkelingen en de armoede waarin 2 miljard mensen leven. Daarnaast voorzien de academische disciplines die zich buigen over zingeving, duiding en moraliteit in een duidelijke maatschappelijke behoefte.

De brede visie op wetenschap die wij ons wensen laat ruimte voor al deze vormen van maatschappelijke waarde. En zeker ook voor de waarde van wetenschap op zichzelf: de zoektocht naar nieuwe fundamentele kennis,  waarvan we niet weten of die ons ooit iets zal opleveren, maar die ons wel helpt om onszelf en het universum beter te begrijpen. De brede visie op wetenschap die wij ons wensen reduceert wetenschappers niet tot innovatiemachines en dienstmaagden van bedrijven. Ze behandelt hen als vakmensen, die worden gedreven door hun persoonlijke integriteit, een gedisciplineerde zoektocht naar inzicht en waarheid, en het streven om als wetenschapper een bijdrage te leveren aan een betere wereld. Eén van de vormen van die bijdrage is economisch – maar er zijn er veel meer. De brede visie op wetenschap die wij ons wensen, spreekt wetenschappers aan op hun verantwoordelijkheid, en verwacht dat ze zich ook inspannen voor het aanpakken van maatschappelijke problemen en het verbeteren van onze welvaart en ons welzijn. Eén manier om dat te doen is samenwerking met bedrijven. Maar als het de enige manier wordt, gaat de Nederlandse wetenschap een sombere toekomst tegemoet. En ironisch genoeg zal dan op de langere termijn de Nederlandse innovatie hetzelfde lot beschoren zijn.

Ingrid Robeyns en Peter-Paul Verbeek

namens De Jonge Akademie


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken