De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Sjoerd Repping

15 januari 2018

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het deze week aan Sjoerd Repping.

Foto in lab
Foto Xander Remkes

In welk vakgebied ben je afgestudeerd? 

Ik heb van 1994 tot 1998 medische biologie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. In het begin twijfelde ik of ik geneeskunde, biologie of informatica moest studeren, ik vond het allemaal ‘leuk’. Ik wilde vooral begrijpen, ontdekken en creatief zijn. Dan ligt een baan als wetenschapper natuurlijk voor de hand. Geneeskunde vond ik te protocollair en meer doen dan begrijpen, informatica te rechtlijnig. Planten waren niet zozeer mijn ding dus werd het medische biologie: het bestuderen van de (patho)fysiologie van de mens.

Werk je nog steeds in je vakgebied?

Ja, hoewel ik me in de loop der tijd eerst gespecialiseerd en daarna ook weer verbreed heb. Tijdens de brede basisstudie medische biologie heb ik me via stages gespecialiseerd in de genetica en de immunologie. Na mijn afstuderen kon ik promotieonderzoek doen naar immunologie, kanker of voortplanting. Ik koos voor het laatste omdat ik daarmee ook heel dicht bij de patiëntenzorg kon gaan werken, de geneeskunde trok in die zin toch weer aan me.
Ik werd opgeleid tot klinisch embryoloog waarbij ik de verantwoordelijkheid kreeg voor alle laboratoriumaspecten van geassisteerde voortplantingstechnieken zoals ivf. Superspannend en met een direct effect op het geluk van mensen, hoe mooi is dat! Een deel van mijn promotie heb ik uitgevoerd bij het Whitehead Institute in Cambridge, Amerika. Midden in de tijd van de ontdekking van het humane genoom. Mijn inspiratie voor de wetenschap is daar enorm versterkt.
Al voor mijn eigen promotie had ik een aantal beurzen en begeleidde ik andere promovendi. Ook dat bleek ik erg stimulerend te vinden (samenwerken met jonge, slimme en enthousiaste mensen blijft fantastisch ook nu ik zelf wat minder jong ben).
De afgelopen tien jaar heb ik me verder ontwikkeld op het gebied van management en ben inmiddels al weer vijf jaar hoofd van het centrum voor voortplantingsgeneeskunde van het AMC en sinds twee jaar directeur van het onderzoeksinstituut Reproduction & Development van AMC en VUmc. Ook ben ik me meer gaan interesseren voor grotere processen en hoe die continu te blijven verbeteren. Hoe krijgen we de gezondheidszorg beter en meer gebaseerd op wetenschappelijke evidentie?
Daarbij gaat het dus wat minder om de inhoud en meer om het proces, een proces van continue verandering en adaptatie. Vooral een proces waarin de belangen van individuele mensen en het collectieve doel belangrijke rollen spelen. Daarbij helpt het wel enorm als je ook zelf tot het gaatje bent gegaan met wetenschappelijke vraagstellingen.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

Nieuwsgierigheid, willen weten en begrijpen, ontdekkingen doen, bouwen op empirie. En een natuurlijke gezonde dosis gedrevenheid en een innerlijke wens om iets te doen wat er toedoet.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière?

Tijdens je promotieonderzoek wil je alles weten van jouw, relatief kleine, onderwerp. Dat is superleuk omdat je daardoor echt een superexpert wordt, je wordt uitgedaagd en uitgenodigd om je ervaringen en kennis te delen. Je zit dan echt in de frontlinie maar wel ‘alleen’ op jouw eigen specifieke onderwerp.
Na je promotie blijven de basisdrijfveren hetzelfde, maar de manier waarop je daar invulling aan geeft verandert natuurlijk. Je moet wel uitdaging blijven zoeken, ik heb dat persoonlijk ook nodig om het maximale uit mezelf te kunnen blijven halen, om zelf te kunnen blijven leren. In verbreding van een onderwerp bijvoorbeeld. Of door, zoals in mijn geval, je meer en meer bezig te houden met de processen rondom wetenschap en het betekenisvol maken van wat er allemaal gebeurt in de wetenschap. Echte impact hebben.

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Ik werk met allerlei verschillende mensen. Op mijn afdeling In het AMC verrichten we onderzoek, zorg en onderwijs, met dokters, verpleegkundigen, biologen, epidemiologen, analisten en nog veel meer mensen. Stuk voor stuk is iedereen gedreven om, vanuit zijn of haar eigen expertise het beste te doen wat mogelijk is. In die gedrevenheid vinden we elkaar, niet alleen in de wetenschap maar zeker ook in de zorg. Ik merk wel dat jonge onderzoekers zich toch steeds vaker al heel snel zorgen maken over hun toekomst en minder onbevangen zijn dan vroeger. Dat is niet alleen een effect van een krappe markt voor gepromoveerde onderzoekers (in die zin is dat altijd al een afvalrace geweest, er waren altijd veel meer promovendi dan hoogleraren) maar ook een effect van de steeds sterker wordende wetenschappelijke afrekening, ‘publish or perish’. Daar maak ik me wel zorgen over.

Denk je dat voor jonge onderzoekers bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of niet doorgaan in de wetenschap?

Dan kom ik toch op die gedrevenheid en ambitie. Als je het echt wil dan kan je zeker een prachtcarrière maken in de wetenschap. Ook als je niet meteen tijdens je promotie in Nature of de New England Journal of Medicine publiceert.

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap?

Naast gedrevenheid en ambitie, moet je nieuwsgierigheid je toch ook continu blijven voeden. Ik denk vooral dat je je hele leven lang moet willen blijven leren en jezelf moet willen blijven uitdagen. Bovendien is er in de samenleving, buiten de pure wetenschap, veel meer vraag naar mensen die wetenschappelijk kunnen nadenken. Juist in deze post-truth tijd, is kennis belangrijker dan ooit.  

Sjoerd Repping

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken