De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Rianne Letschert

12 maart 2018

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het aan leden van De Jonge Akademie. 
Deze week: Rianne Letschert

Drijfveren Rianne Letschert
Foto Felix Ndahinda

In welk vakgebied ben je afgestudeerd?

In het Nederlands recht met specialisatie internationaal recht. Ik ben begonnen als eerstejaars student aan de Universiteit van Amsterdam, toen verder gegaan aan de Universiteit van Tilburg met een jaar als uitwisselingsstudent aan de Universiteit van Montpellier.

Werk je nog steeds in je vakgebied?

Voor een deel wel. Het onderzoek dat ik momenteel doe in het kader van het NWO Vidi-project ‘What’s law got to do with it’ is een interdisciplinair project waarbij we de werking van het internationale recht in de context van massavictimisatie analyseren. Centraal staat met name de impact van het internationaalrechtelijk kader op het herstel van slachtoffers van de meest ernstige misdrijven (denk aan genocide en oorlogsmisdrijven) en de samenlevingen die met deze misdrijven geconfronteerd zijn. Voor het andere deel werk ik momenteel, met veel plezier, als rector magnificus aan de Universiteit van Maastricht.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

Ik ben rechten gaan studeren omdat ik oorspronkelijk (als zestienjarige) kinderrechter wilde worden. Later bleek dat de internationale context van het recht mij nog meer aansprak waardoor ik specialisaties zocht op het terrein van het volkenrecht, mensenrechten en internationaal strafrecht. Het internationale recht werkt in een extreem lastige context, waar de spanning tussen internationale en nationale politiek en het recht altijd voelbaar is. Vaak zijn de meest kwetsbaren van onze samenleving de dupe van deze spanning. Mijn proefschrift ging over nationale minderheden, mijn latere wetenschappelijke werk heeft zich toegespitst op slachtoffers van ernstige misdrijven. Het proberen bij te dragen aan de situatie van individuen en groepen die het recht wellicht het meest nodig hebben maar het minst ervaren in hun dagelijks leven, blijft voor mij als wetenschapper een van de belangrijkste drijfveren.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière? 

Zeker niet, ze zijn alleen maar sterker geworden. Vooral toen ik het recht met victimologie ging combineren. Dat heeft mijn onderzoekservaring en kennis met betrekking tot empirisch onderzoek enorm verrijkt. Het empirisch onderzoeken van de daadwerkelijke werking van het recht op hen voor wie de regels zijn opgesteld, blijft een ongelofelijke passie.

Maar wat wel veranderde, is mijn kijk op de sector waarin we werken. Waar ik nog vrij gemakkelijk aan een promotietraject kon beginnen, met daarna een vrijwel automatische doorstart naar een positie als universitair docent (hoezo eerst een postdoc-positie?), merk ik dat generaties na mij veel meer moeite moeten doen om hun plek binnen de wetenschap te veroveren. De competitie is enorm geworden en de werkdruk onaanvaardbaar gestegen. Toen ik in 2015 een Vidi-beurs kreeg, net als twee collega’s van mijn universiteit, kopte het Brabants Dagblad: ‘2,4 miljoen subsidie voor drie wetenschappers Tilburg University’. En niet alleen die krant presenteerde deze prestatie op deze manier. Alle media, maar ook communicatieafdelingen van universiteiten en soms onderzoekers zelf, presenteren het binnenslepen van een onderzoeksbeurs als een solo-act. Keer op keer komen zodoende dezelfde wetenschappers voor het voetlicht; het lijkt alsof steeds meer middelen naar een steeds kleinere groep gaan. Deze ‘Dagobert Ducks van de wetenschap’ zien hun ster tot grote hoogten rijzen, want op hun cv prijkt beurs na beurs. Ondertussen verbijt de grootste groep wetenschappers zijn frustratie over het net misgrijpen bij de zoveelste subsidieaanvraag.

Mijn stap van de actieve wetenschap als gelukkige ‘Vidi-wetenschapper’ naar een positie als bestuurder was ingegeven door deze context. Tijdens het rectoraat zijn daar andere thema’s bijgekomen, zoals de regeldruk die we op onze sector hebben zien afkomen (en soms ook zelf veroorzaken), met name binnen het onderwijs. Of het soms gehoorde wantrouwen richting de wetenschap als zijnde ‘ook maar een mening’. Genoeg thema’s waarvoor ik me de komende jaren wil inzetten.

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Veel van mijn collega’s herkennen de zorgen, ervaren deze ook zelf in hun dagelijks werk. Niet iedereen snapt dat ik de stap van de wetenschap naar het bestuur heb gemaakt, zeker niet toen ik de Vidi-beurs kreeg. Maar ik zie het als niet meer dan mijn verantwoordelijkheid nemen voor onze sector, een sector waarbinnen ik al zo veel jaar met zo veel plezier en energie werk.

Denk je dat bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of doorgaan in de wetenschap van jonge onderzoekers?

Het hebben van nieuwsgierigheid, verbeelding en passie over vraagstukken binnen je vakgebied lijken me cruciaal. Die intrinsieke motivatie om te willen blijven leren en ontdekken is wat de meeste wetenschappers gemeen hebben.
Wat daarnaast ook belangrijk is, is het hebben van een grote dosis relativeringsvermogen en plezier, we worden immers niet allemaal Nobelprijswinnaar…

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap?

Die intrinsieke motivatie om te willen blijven leren en ontdekken lijkt me het allerbelangrijkste. Maar als je echt de top wilt halen, dan is uithoudingsvermogen en doorzettingsvermogen net zo belangrijk.

 

Rianne Letschert

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken