De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Martijn Wieling

1 januari 2018

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het aan leden van De Jonge Akademie. 
Martijn Wieling vertelt deze week zijn verhaal.

Martijn Wieling - foto Miguel Santin - blurred
Foto Miguel Santín

In welk vakgebied ben je afgestudeerd?

Ik heb een afgeronde master in de informatica en een afgeronde interdisciplinaire onderzoeksmaster behavioral and cognitive neurosciences (BCN). In mijn afstudeeronderzoek heb ik uitspraakverschillen van Nederlandse dialecten onderzocht, waarbij ik diverse computationele methoden heb gebruikt om inzicht te krijgen in de patronen van Nederlandse dialectvariatie.

Werk je nog steeds in je vakgebied?

Ja, ik ben universitair docent bij de opleiding informatiekunde (computationele taalkunde) aan de Rijksuniversiteit Groningen. Mijn onderzoek richt zich op taalvariatie, waarbij ik zowel experimentele methoden gebruik, door bijvoorbeeld het meten van de bewegingen van tong en lippen tijdens spraak, als computationele methoden bij het analyseren van grote hoeveelheden (online beschikbare) tekst.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

Tijdens mijn studie Informatica vond ik het wetenschappelijke aspect van de opleiding erg aantrekkelijk. Omdat mijn inhoudelijke interesse breder was dan alleen de Informatica, heb ik via de BCN onderzoeksmaster bij verschillende vakgebieden (psychologie, neurowetenschappen en taalkunde) kunnen rondkijken. Voor mij was uiteindelijk een van de belangrijkste redenen om de wetenschap in te gaan de vrijheid om grotendeels zelf te bepalen met welke interessante vragen je aan de slag wilt gaan en op welke manier je dat gaat doen.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière?

Ja, er is een belangrijke drijfveer bijgekomen. Tijdens mijn promotie heb ik veel samenwerking gezocht met onderzoekers in het buitenland. In deze samenwerkingen was onze expertise altijd complementair. Niet alleen heb ik hiervan erg veel geleerd, ook is het kunnen samenwerken met mensen overal ter wereld een belangrijke drijfveer geworden om binnen de wetenschap te blijven werken.
Na mijn promotie is er wederom een belangrijke drijfveer bijgekomen. Tijdens mijn promotie deed ik alleen onderzoek. Inmiddels geef ik regelmatig onderwijs en beleef ik er heel erg veel plezier aan om studenten, waar ook ter wereld, wat kennis en vaardigheden te kunnen bijbrengen. 

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Ik denk dat veel van mijn collega’s een of meerdere van mijn drijfveren delen. De vrijheid, samenwerking en ook het geven van onderwijs zijn toch belangrijke onderdelen van het werk van mijn (naaste) collega’s.

Denk je dat voor jonge onderzoekers bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of niet doorgaan in de wetenschap?

Zeker. Ten eerste moet je natuurlijk passie hebben voor je werk. Onderzoek doen is geen 9-tot-5-baan en wanneer je je werk niet leuk genoeg vindt, denk ik niet dat je het lang kunt volhouden. Als een belangrijke drijfveer het hebben van zekerheid is, dan is de combinatie met de wetenschap niet heel gelukkig. De kans op een vaste baan is vaak maar klein, en als iemand wel een vast contract weet te krijgen, heeft iemand vaak meerdere tijdelijke contracten gehad. Ik verkeer in de gelukkige positie dat ik drie jaar na mijn promotie een vast contract kreeg, maar dat is helaas niet voor iedereen weggelegd. 

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap?

Tot op zekere hoogte zeker (een beetje geluk hebben is volgens mij ook nodig). Passie voor je onderzoek hebben is essentieel, evenals doorzettingsvermogen. Een gepassioneerd onderzoeker is in staat net wat harder te lopen dan de rest en met voldoende doorzettingsvermogen gaat iemand ook door bij tegenslagen. Wanneer je motivatie vooral extrinsiek is (denk aan een mooi salaris, status van het hoogleraar zijn etc.) denk ik echter niet dat een mooie carrière binnen de wetenschap in het verschiet ligt.

Martijn Wieling

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken