De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Irene Tieleman

5 februari 2018

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het aan leden van De Jonge Akademie. 
Deze week: Irene Tieleman over nieuwsgierigheid, creativiteit en idealen.

foto door Arne Hegemann
Foto Arne Hegemann

In welk vakgebied ben je afgestudeerd?

Ik heb ecologie gestudeerd in Groningen, en mijn afstudeerprojecten gedaan aan de Ohio State University in de Verenigde Staten en de Ben-Gurion University of the Negev in Israël.

Werk je nog steeds in je vakgebied?

Ja, ik ben hoogleraar dierecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dat klinkt als een monomaner bestaan sinds mijn studie, maar die conclusie dekt de werkelijkheid niet: tijdens de nodige omzwervingen heb ik de invulling van mijn vakgebied meerdere malen sterk gewijzigd en verbreed. Tijdens mijn promotieonderzoek en postdoc werk onderzocht ik verschillende fysiologische mechanismen van dierecologische processen. Tegenwoordig probeer ik ook de rol van micro-organismen daarin te doorgronden.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

Dat was een combinatie van drijfveren, waarbij onder andere autonomie, nieuwsgierigheid en ruimte voor creativiteit grote rollen speelden. Ik was al sinds jong geïnteresseerd in de natuur, daar voelde ik me thuis. Daarnaast wilde ik graag wat van de natuur (en cultuur) elders in de wereld zien. In de wetenschap ontmoette ik bovendien gelijkgestemde mensen, die op eenzelfde manier nieuwsgierig en gedreven waren. Dus, buiten zijn om de natuur te onderzoeken, in afgelegen oorden of dicht bij huis, en samen met gave mensen (deels van andere culturen): een beter leven kon ik me niet indenken.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld
tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière? 

Ja en nee. In de kern bleven ze aanwezig. Mijn promotieonderzoek sloot uitstekend aan bij bovengenoemde drijfveren: als wetenschappelijke nomade bestudeerde ik de ecologische en fysiologische aanpassingen van vogels in en buiten de woestijn. Jaarlijks verdeelde ik mijn tijd over de Arabische woestijn, de Verenigde Staten en Nederland. De realiteit kort daarna was dat uitblinken in promotieonderzoek betekent dat je verder moet en hogerop. In de cyclus van projectgedreven wetenschap belandde ik eerst even in de fase van postdoc beurzen aanvragen en kortere projecten uitvoeren. Daarna stoomde ik snel door naar een universitair docentschap dat mogelijkheden bood om een eigen team te vormen waarmee ik mijn uitdijende ideeën kon najagen.
Die ontwikkeling was een uitkomst voor de beperkingen die ik aan het eind van mijn promotietraject begon te voelen, namelijk dat wat ik met eigen middelen en handen als promovenda kon bereiken ontoereikend werd. Tegelijk dwong het me tot meer managementwerk en maakte het me honkvaster.

Latere fases van mijn carrière boden ruimte voor nieuwe drijfveren, inclusief het creëren van kansen voor anderen, het inzetten van vakinhoudelijke kennis voor natuurbeschermings- en duurzaamheidsvraagstukken en het helpen opleiden van een nieuwe generatie kritisch denkende wereldburgers.
Mijn oorspronkelijke drijfveren zijn daarmee niet verdwenen, maar ik voel wel dat ze continu onder grote druk staan. Dat komt met name doordat de academische cultuur die mijn werkomgeving bepaalt gericht is op productie van diploma’s en proefschriften en gedreven wordt door geld. De ruimte voor de intrinsiek gedreven en autonoom opererende professional, die graag investeert in mensen en creatieve ideeën, is heel beperkt geworden.

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Mijn drijfveren zijn divers, en dat zal voor mijn collega’s ook gelden, dus enige overlap zal te vinden zijn. Maar er zijn zeker ook verschillen tussen wetenschappers. Aanwijzingen daarvoor vind je ook terug in de drijfveren-blogs die tot nu toe al in deze serie zijn verschenen.
Zo beschouw ik mezelf, in tegenstelling tot een aantal andere leden, niet als competitief. Ik functioneer beter, creatiever en productiever in een open, niet-competitieve omgeving, en daarin ben ik zeker niet uniek. Zo’n omgeving is echter moeilijk te creëren in het huidige wetenschapsbedrijf. De dominante cultuur van competitie en druk op efficiëntie sluit dus aan bij de drijfveren van sommigen, maar brengt de creativiteit en idealen van anderen in het gedrang. Deze selectiedrukken, competitie en werkdruk, leiden ertoe dat bepaalde persoonlijkheden gedijen in de wetenschap terwijl andere een loopbaan elders verkiezen. Persoonlijk beschouw ik het resultaat hiervan als verarming van de wetenschap. Uitstekende creatieve denkers en doeners zien onvoldoende ruimte voor hun drijfveren binnen de huidige academische wereld.

Denk je dat bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of niet doorgaan in de wetenschap van jonge onderzoekers?

Nee, ik vind 'bepalend' in deze context een veel te sterke term. Ik denk dat er altijd een samenspel is van meerdere drijfveren. Daarnaast zijn andere factoren op z’n minst zo belangrijk voor het ambiëren van een wetenschappelijke loopbaan: rolmodellen, kansen en mogelijkheden, werkcultuur.

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap?

Nee. Ik denk dat allerlei mengsels van drijfveren de fundering kunnen vormen voor een wetenschappelijke loopbaan. In elke fase van een wetenschappelijke carrière is het een kwestie van je eigen weg zoeken en vinden, om ruimte te creëren voor de belangrijkste drijfveren van dat moment, binnen de mogelijkheden die de academische wereld biedt. In de praktijk zou ik graag een verruiming zien van die mogelijkheden: ruimte voor meer diversiteit. Dan zal het palet van drijfveren in de wetenschappelijke gemeenschap ook breed kunnen blijven. 

Irene Tieleman

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken