De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Hilde Geurts

12 februari 2018

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het aan leden van De Jonge Akademie. 
Deze week: Hilde Geurts

Foto Hilde Geurts

Foto Joris den Blaauwen

In welk vakgebied ben je afgestudeerd?

In Nijmegen heb ik neuro- en revalidatiepsychologie gestudeerd. Een studie waarbij het gaat om de relatie tussen hersenen en gedrag door vooral te kijken naar neurologische beelden waarbij de hersenen haperen of anders functioneren. Denk hierbij aan het zoeken naar antwoorden op vragen zoals 'wat gaat er mis/anders in de hersenen?', 'hoe kan je vaststellen welke cognitieve functies intact zijn en welke verstoord zijn' en natuurlijk 'wat kan je doen als iemand cognitieve problemen heeft'. Ik verslond in die tijd onder andere de boeken van Oliver Sacks en Alexander Luria. Hun casusbeschrijvingen zorgden ervoor dat je doordrongen werd van de complexiteit van de werking van de hersenen. Vooral het al dan niet haperende geheugen fascineerde me enorm. Mijn afstudeeronderzoek ging daarom juist over een heel specifiek geheugeneffect, namelijk 'priming', bij mensen met het syndroom van Korsakov.

Werk je nog steeds in je vakgebied?

Ja zeker, ik ben nu hoogleraar binnen de klinische neuropsychologie. Nu richt ik me vooral op autisme en ADHD. Dit zijn geen zogenaamde neurologische ziektebeelden, maar het idee is wel dat door een net iets andere neurobiologische aanleg de vroege ontwikkeling van de hersenen een ander verloop hebben. Dit, in combinatie met allerhande omgevingsfactoren, kan ervoor zorgen dat mensen in het dagelijks leven problemen ervaren. De vraag is hierbij of zij informatie anders verwerken en zo ja hoe dan. Nu was er tijdens mijn studie relatief minder aandacht voor cognitieve ontwikkeling, zogenaamde mentale stoornissen en hoe we moeten omgaan met het soms grote verschil tussen wat mensen zelf ervaren en hoe mensen presteren. Dit zijn de onderwerpen waar ik me de afgelopen jaren mee bezighoud en juist bij deze onderwerpen is het ook duidelijk dat denken vanuit alleen een medisch model niet voldoende inzicht geeft. Voor de klinische neuropsychologie is een biopsychosociaal model belangrijk en dus moet je verder kijken dan alleen de hersenen en de cognitieve functies.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

Onderzoek doen vond ik tijdens mijn hele studie enorm leuk. In plaats van één onderzoekstage, ben ik er twee gaan doen en daarnaast heb ik ook als vrijwilliger meegedraaid bij het onderzoek van promovendi.
Ik vond het leuk om me vast te bijten in een onderwerp en na te denken over hoe je kan testen of een idee al dan niet klopt. Juist het experimentele onderzoek waarbij je je richt op een heel specifiek onderdeel van een cognitieve theorie vond ik interessant. Onderzoek waarbij je allerhande omstandigheden zo veel mogelijk moest gaan controleren om zo een uitspraak te kunnen doen over een cognitief werkingsmechanisme vond ik echt geweldig. Het geregel eromheen zoals het zorgen dat je de studie efficiënt kunnen doen, het werven van deelnemers, de dataset begrijpelijk ordenen, de beste statistische analyse zoeken. Ja, ik vond echt iedere stap interessant en uitdagend.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière? 

Niet zozeer tijdens mijn promotietraject, maar wel tussen mijn studie en mijn promotietraject in. Na mijn afstuderen kon ik direct als promovendus aan de slag, maar de centrale onderzoeksvragen vond ik destijds niet iets waar ik me vier jaar over wilde buigen. Ik heb toen eerst een tijd in de horeca gewerkt en daarna kreeg ik een vaste baan als neuropsycholoog in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Daar heb ik enorm veel geleerd, maar  ik miste ook het uitvoerig kunnen uitpluizen van één onderwerp. De klinische praktijk is complex en er zijn zo veel belangrijke vragen waar nog geen antwoorden op zijn. Hierdoor werd het voor mij nog duidelijker waarom onderzoek nodig is. Naast dat ik het hele proces dus enorm leuk vind, realiseerde ik me beter hoeveel we niet weten. Mijn promotieonderzoek ging uiteindelijk over een onderwerp waar ik nooit aan gedacht zou hebben zonder mijn klinische ervaring, namelijk de vraag of ADHD en autisme wel zo enorm verschillend zijn?

Nog steeds houd ik van het uitzoeken, van het in een onderwerp duiken, van overzicht creëren en van het experimentele duel, maar ik heb ook ontdekt hoe leuk ik onderwijs vind. Hoe leuk het is om juist anderen te enthousiasmeren voor onderzoek en de klinische praktijk. En dat geldt zowel voor studenten als voor promovendi en mijn klinische collega’s.
Ook het vertalen van wetenschappelijke kennis naar de klinische praktijk of naar een relatief lekenpubliek enthousiasmeert me. Dit had ik tijdens mijn studie psychologie niet zo een-twee-drie bedacht. Ik zag mezelf meer als de fundamenteel experimentele cognitie-onderzoeker, terwijl ik nu juist de breedte en de verbinding met de praktijk enorm waardeer. Nog steeds doe ik relatief weinig direct toepasbaar onderzoek zoals interventie-onderzoek, maar het is wel altijd duidelijk wat op redelijk korte termijn de waarde kan zijn voor de mensen met autisme of voor hun omgeving. Het is minder weten om het weten geworden, doordat ik naast mijn onderzoeks- en onderwijstaak aan de universiteit ook nog een aanstelling heb bij een klinische instelling.
Het blijst word ik van het werken met anderen die ook graag willen weten hoe iets zit en die voor een andere invalshoek kunnen zorgen. Dat kunnen wederom studenten of collega-onderzoekers zijn, maar dat zijn ook mensen met ervaringskennis. De verhalen van mensen met autisme maken dat ik nieuwsgierig blijf. Eigenlijk ben ik gewoon weer terug bij de casusbeschrijvingen van Luria. Alleen in plaats van erover te lezen, hoor ik het nu uit de eerste hand. De ontmoetingen in de wetenschap, die maken me enthousiast.

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Veel wel, we zijn allemaal mensen die nieuwsgierig zijn. Ik onderzoek vaak iets omdat ik twijfel of me verbaas over wat ik hoor of lees. Ik ben daardoor ook niet altijd theorie- of onderwerpvast en dat geldt niet per se voor iedereen. Sommigen zijn dat wel en ontwikkelen zelf een overkoepelende theorie en zoeken dat tot op de bodem uit. Er zitten dus verschillen in de accenten van wat van het onderzoeksproces iemand juist enthousiasmeert. Zo zitten er ook verschillen in welke mate er een directe relatie is met het dagelijks leven of de vertaalbaarheid van de bevindingen en of je dat nu al dan niet motiveert bij het doen van je onderzoek. Er zijn natuurlijk ook collega’s die juist het competitieve element van de wetenschap aantrekkelijk vinden. Ik vind dat juist het grootste nadeel.

Denk je dat bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of niet doorgaan in de wetenschap van jonge onderzoekers?

Als je niet nieuwsgierig bent, denk ik dat de wetenschap niet je natuurlijke habitat zal zijn. Enthousiasme voor het vak en intrinsieke motivatie zijn belangrijk. Er zijn uiteindelijk ook wel externe beloningen, zoals mooie bevindingen, collega’s die je wetenschappelijke input waarderen, inspirerende (internationale) ontmoetingen. Maar het is vaak ook doorploeteren en met tegenslag en (hopelijk constructieve) kritiek kunnen omgaan.

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap?

Bij een carrière in de wetenschap gaat het er niet alleen om al dan niet een goede onderzoeker te zijn, want er komt zo veel meer bij kijken zoals onderwijs, beleid en geld aanvragen. Dus ook enig enthousiasme op die vlakken kan helpen. En toch is het goed om te bedenken dat al ben je nog zo gemotiveerd en goed en wil je echt voor de wetenschap gaan, je ook dan een dosis geluk nodig hebt. Dat er net banen zijn die bij jouw kennis en vaardigheden aansluiten of dat je net een beurs wel krijgt et cetera. Het wel of niet doorgaan in de wetenschap hangt dus zeker niet alleen van iemand eigen kunnen en motivatie af.

Hilde Geurts

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken