De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Herman Paul

18 december 2017

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het aan leden van De Jonge Akademie. 
Deze week: Herman Paul.

Drijfveren-Herman-Paul-klein2

Foto Dineke van der Wouden

In welk vakgebied ben je afgestudeerd?

In 1996 ging ik naar Groningen om geschiedenis en journalistiek te studeren, aanvankelijk met het idee om journalist te worden. Maar al in de tweede week van mijn eerste jaar schoof ik aan bij een filosofiecollege. Uiteindelijk ben ik afgestudeerd in de geschiedenis en de filosofie en gepromoveerd op het snijvlak van beide, in de geschiedfilosofie.

Werk je nog steeds in je vakgebied? 

Ja, ik werk bij geschiedenis in Leiden en doceer daar nog altijd geschiedfilosofie. Maar mijn onderzoeksfocus is de laatste jaren behoorlijk verschoven. Al schrijf ik zo af en toe nog een geschiedfilosofisch artikel, het zwaartepunt van mijn onderzoek ligt tegenwoordig in de wetenschapsgeschiedenis, meer in het bijzonder in de ‘history of the humanities’. Ik ben geïnteresseerd in wat een wetenschapper is, over welke eigenschappen hij of zij geacht wordt te beschikken – daarover lopen de opvattingen in verschillende tijden, plaatsen en disciplines uiteen – en wat de morele (wetenschapsethische) verwachtingen van de wetenschappelijke persona zijn.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

‘De wetenschap ingaan’ kan een rommelig proces zijn, zonder duidelijk gemarkeerde keuzemomenten. Ik herinner me nog goed het telefoontje van mijn afstudeerbegeleider en latere promotor, dat er een promotieplek bij geschiedenis in Groningen beschikbaar zou komen. Ik heb die kans met beide handen aangegrepen: het leek me prachtig om nog vier jaar verder te studeren. Wat ook zal hebben meegespeeld: promoveren was in mijn familie niet ongebruikelijk. Maar een carrière in de wetenschap was op dat moment nog geen punt van overweging.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière?

Aan het einde van mijn promotietraject heb ik mij afgevraagd of ik een academische carrière wilde ambiëren. Aanvankelijk overheerste scepsis: ik zag te veel gepromoveerde mensen die niet aan de bak kwamen of gevangen zaten in kleine, uitzichtloze onderwijsbaantjes. Ook maakte ik de (begrijpelijke) denkfout om dingen die in mijn directe omgeving niet zo lekker liepen te interpreteren als representatief voor ‘de wetenschap’ in het algemeen. Enfin, ik besloot toen – nogal idealistisch – dat ik alleen zou verdergaan als ik mij op een project kon storten dat écht mijn hart had. In mijn geval betekende dat: een project op het snijvlak van geschiedenis en ethiek. Ik had toen het geluk dat ik via via in contact kwam met een hoogleraar in Princeton die mijn project wel zag zitten en mij aan een fellowship in Princeton kon helpen – waarna ook NWO nog met een postdocbeurs over de brug kwam. Pas in Princeton dacht ik: een wetenschappelijke carrière is misschien wel iets voor mij.

Aanvankelijk wilde ik vooral zelf veel onderzoek doen en artikelen schrijven. Die wens heb ik nog steeds. Er is niets zo leuk als het uitproberen van een nieuw idee. Maar naarmate mijn onderwijs- en begeleidingstaken zijn gegroeid, ben ik het steeds belangrijker gaan vinden om een betrokken docent en promotor te zijn. In toenemende mate voel ik mij verantwoordelijk voor dingen als een collegiale sfeer op het instituut, constructief meedenken met anderen en support bieden aan junior onderzoekers. Niettemin: als ik één ding echt nog eens zou willen doen, los van alle colleges en onderzoeksprojecten die mij aardig van de straat houden, dan is dat een boek schrijven op het snijvlak van geschiedenis en ethiek, over wat ik ‘historische gesprekskunst’ noem. Die passie is sinds mijn postdoctijd gebleven en gaat vast niet meer weg.

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Eén van de redenen waarom ik het in het Leidse Instituut voor Geschiedenis zo naar mijn zin heb, is dat er een goede mix heerst van persoonlijke ambitie én betrokkenheid met het geheel – de promovendi, de studenten en het ondersteunend personeel incluis. Ik heb genoeg collega’s wier ogen gaan glimmen als ze vertellen over een nieuwe vondst of over het grote boek dat ze aan het schrijven zijn. Maar dat diezelfde mensen bereid zijn óók veel tijd te investeren in studenten of in allerlei noodzakelijk regelwerk, vind ik mooi. Ik zou mij ontheemd voelen in een omgeving waarin collega’s alleen maar gedreven zouden worden door wetenschappelijke ambities.

Denk je dat voor jonge onderzoekers bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of niet doorgaan in de wetenschap?

Intrinsieke motivatie is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor een carrière in de wetenschap. Er moeten ook maar net een paar kansen (beurzen, banen) op je weg komen. Als ik kijk naar mijn eigen studenten van de afgelopen tien jaar, valt me op dat degenen die talent hadden én graag na hun promotie zouden doorgaan vroeg of laat wel ergens zijn terechtgekomen. Maar dat ‘ergens’ kan betekenen dat mensen zeer flexibel moeten zijn qua land of universiteit, zoals ook het ‘vroeg of laat’ nogal wat (psychologische) flexibiliteit kan vergen. Drijfveren zijn dus niet genoeg; je moet ook bereid zijn persoonlijke offers te brengen. Dat sommigen daarvoor terugschrikken, vind ik begrijpelijk.

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap? 

Zonder intrinsieke motivatie lijkt het me moeilijk de werkdruk vol te houden. Bovendien bestaat er zoveel ruis – al het gedoe rond prestatie-indicatoren, bijvoorbeeld, zoals rankings en citatiescores – dat je jezelf er af en toe aan moet kunnen herinneren waarom je dit werk ook alweer deed. ‘Succes’ of ‘zichtbaarheid’ is iets anders dan ‘belangrijk’. Bovendien heeft niemand altijd succes: tegenslagen (zure referenten, slechte recensies) zijn onvermijdelijk. Laat je daardoor dus niet afleiden, zegt de calvinist in mij: alleen vanuit een sterke intrinsieke motivatie kun je wetenschappelijk iets voor elkaar krijgen.  

Herman Paul

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken