De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De drijfveren van Barbara Vis

11 december 2017

Waarom is iemand de wetenschap ingegaan? En waarom blijft die doorgaan in het onderzoek? We vragen het deze week aan Barbara Vis.

Drijfveren-Barbara-Vis
© Yannick Fritschy

In welk vakgebied ben je afgestudeerd? 

Ik ben afgestudeerd als politicoloog (2003) en econoom (2002) en daarnaast heb ik een interdisciplinaire minor van 60 EC gevolgd over het thema arbeid (2001).

Werk je nog steeds in je vakgebied?

Globaal gezien ben ik nog werkzaam op hetzelfde terrein, of eigenlijk terreinen, als waarin ik ben opgeleid. 
Sinds september 2017 ben ik hoogleraar politiek en bestuur aan de Universiteit Utrecht; daarvoor was ik hoogleraar politieke besluitvorming aan de Vrije Universiteit (2013-2017). In mijn onderzoek, en ook deels in mijn onderwijs, maak ik gebruik van inzichten uit onder andere de economie en pas deze toe op vraagstukken over politiek. Dit doe ik onder meer om de politiek van verzorgingsstaathervormingen te kunnen duiden; een van mijn centrale onderzoeksonderwerpen, dat ook regelmatig terugkomt in mijn onderwijs. Hierbij heb ik ook veel aan de minor arbeid, zowel inhoudelijk als omdat ik in die minor interdisciplinair heb leren denken.

Wat was je oorspronkelijke drijfveer om de wetenschap in te gaan?

De wetenschap ingaan was niet iets wat ik al tijdens mijn studies ambieerde. Ik zag mezelf bijvoorbeeld gaan werken als beleidsmedewerker bij organisaties als De Nederlandse Bank of het ministerie van Financiën. Toen ik met mijn studies klaar was, in 2003, hadden vrijwel alle (semi-)publieke instellingen echter een vacaturestop. Dat was voor mij de directe aanleiding om breder naar banen te gaan zoeken. Zo kwam ik een functie als promovendus tegen en dat klonk ook wel aantrekkelijk. Ik wist zo goed als niets over promoveren, maar de mogelijkheid om een paar jaar met een interessant project de diepte in te gaan, sprak me erg aan. Het was vooral mijn nieuwsgierigheid, de drive om uit te willen zoeken hoe iets zit, dat hier de doorslag gaf.

Zijn deze drijfveren veranderd in de loop der jaren, bijvoorbeeld tijdens het promotietraject of in latere fases in je carrière?

Doordat ik nog weinig over promoveren wist, had ik weinig verwachtingen. Maar promoveren bleek een schot in de roos. Dat kwam niet in de laatste plaats doordat er een flinke groep promovendi ongeveer tegelijk met mij begon. Dat was niet alleen gezellig, maar was ook zeer nuttig voor het uitwisselen van ervaringen en het geven van feedback. Ook trof ik het zeer met m’n promotoren, die me onder meer op sleeptouw namen bij conferenties en door wie ik het wetenschappelijke bedrijf echt leerde kennen. En dat bleek een goede omgeving te zijn voor een nieuwsgierig iemand als ik. De behoefte om te willen weten hoe iets zit, heb ik altijd gehad en die is nooit minder geworden.

Wel vond ik als promovenda de wetenschap op een gegeven moment nogal traag; te traag. Dan had je een mooi stuk geschreven en opgestuurd naar een tijdschrift en duurde het vervolgens maanden voor je er weer iets van hoorde. Ik heb dan ook getwijfeld of ik de wetenschap na m’n promotie niet wilde verlaten voor een meer dynamische omgeving, zoals de consultancy. Maar ik realiseerde me ook dat ik de ruimte om te doen wat je interessant vindt en de mogelijkheid tot diepgang dan wel erg zou missen. Gelukkig bleek het zijn van universitair docent veel minder traag dan het zijn van promovenda. Zo zat er veel meer afwisseling in het takenpakket en door het onderwijs was er ook vaak vrijwel directe terugkoppeling over hoe iets ging (of studenten een college saai of inspirerend vonden, bijvoorbeeld).

De drive om te willen weten hoe iets zit, die nieuwsgierigheid, heb ik nog steeds. En misschien is deze in de loop van de tijd zelfs wel sterker geworden. Inmiddels is het helpen ontwikkelen van jonge onderzoekers – promovendi, postdocs en jonge universitair docenten – ook een belangrijke drijfveer. Ik schep er veel genoegen in om promovendi en andere jonge collega’s te stimuleren hun eigen weg te vinden en keuzes te maken waardoor zij terecht kunnen komen waar ze zouden willen.

Komen je huidige en oorspronkelijke drijfveren overeen met die van collega’s? Indien niet, welke verschillen zijn er?

Het dingen willen weten, het nieuwsgierig zijn zie ik bij heel erg veel collega’s. Er is weinig mooier dan mensen met passie over hun onderzoek, of onderwijs, horen spreken waarbij de ogen gaan twinkelen. De drive om jongere collega’s verder op weg te helpen komt ook vaak voor, maar zeker niet bij iedereen. Onder de leden van De Jonge Akademie overigens wel.

Denk je dat voor jonge onderzoekers bepaalde drijfveren bepalend kunnen zijn voor het wel of niet doorgaan in de wetenschap?

Of een jonge onderzoeker in de wetenschap blijft, wordt volgens mij niet zozeer door drijfveren bepaald maar door andere zaken. Zo is het handig als je tegen een stootje kunt. De wetenschappelijke wereld is competitiever dan jonge onderzoekers zich soms realiseren, en daar moet je mee kunnen omgaan. Ook helpt het als je tegen onzekerheid kunt, omdat de realiteit – helaas – is dat veel onderzoekers meerdere tijdelijke contracten hebben voor ze een vaste aanstelling krijgen. Een niet heel materialistische insteek helpt ook, omdat de beloning in vergelijking met sommige andere sectoren niet zo hoog is.

Kunnen bepaalde drijfveren bepalend zijn voor een carrière in de wetenschap?

Nieuwsgierigheid en de bereidheid die te vertalen in onderzoek, onderwijs en maatschappelijke impact zijn volgens mij wel de noodzakelijke, maar zeker niet voldoende drijfveren voor een succesvolle wetenschappelijke carrière. 

Barbara Vis

KNAW


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken