De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 39: dagboek van Herman Paul

2 juli 2013

Fotografie Milette RaatsWeekdagboek van een wetenschapper: Herman Paul (UL), van 24 - 30 juni 2013. Herman doet onderzoek naar de geschiedenis van de geesteswetenschappen en de filosofie van de historische wetenschap.

Maandag

Meestal is maandag de drukste dag van de week. Maar sinds kort ken ik het verschijnsel ‘papadag’. Zodoende begint mijn week in de babykamer en ben ik vandaag met flesjes en luiers in de weer. Gelukkig maakt dochterlief, zeven weken oud inmiddels, het me vandaag niet moeilijk: in de box ligt ze ontspannen om zich heen te kijken, geheel tevreden naar het schijnt. Dat komt goed uit, want ik moet nog een laatste blik werpen op een artikel dat ik samen met een oud-student geschreven heb. Afgelopen zaterdag heb ik het commentaar van de reviewers verwerkt; vandaag wil ik het resultaat nog één keer kritisch doorlopen en het notenapparaat op orde brengen.

Rond het middaguur – ik heb het artikel net in quasi-definitieve vorm naar mijn medeauteur gemaild – besluit dochterlief dat het welletjes is geweest. Papa zal weten dat hij een papadag heeft! Een uur lang spelen we samen: ‘Klap eens in je handjes…’ en dat soort klassiekers. Dan valt de kleine meid in slaap en zet ik mij weer achter mijn laptop voor allerlei e-mails en regeldingen (tickets boeken voor een conferentie, zalen reserveren voor een studiemiddag, aantekeningen uitwerken).

Tegen zessen lost mijn geliefde me af en fiets ik naar de faculteit voor het hertentamen Historiografie en Geschiedfilosofie. Dit is een tweedejaars vak dat ik samen met een collega verzorg. Het tentamen, een paar weken terug, was nogal slecht gemaakt, vooral door studenten die de illusie koesterden het vak ook wel te kunnen halen zonder onze colleges te volgen. Dom! Ik schat daarom in dat de zaal vanavond aardig vol zal stromen en deel alvast fikse hoeveelheden tentamenpapier uit. Tijdens het surveilleren lees ik History’s Babel van Robert B. Townsend, een boek over Amerikaanse geschiedwetenschap dat ik voor het Tijdschrift voor Geschiedenis moet recenseren.

Dinsdag

Rond negen uur ben ik op mijn werkkamer. Ik werk mijn e-mail weg en haal een paar boeken uit de UB, voor ik om half tien mijn eerste (bel)afspraak heb. Een natuurkundige van FOM-instituut AMOLF, die via De Jonge Akademie van mijn interesse in wetenschapsethiek gehoord heeft, vraagt advies voor een workshop over ‘good scientific conduct in the real world’. Leuk hoeveel breder mijn netwerk via De Jonge Akademie aan het worden is!

Een tweede telefoongesprek, met een journalist, voer ik in de trein naar Amsterdam. Daar heb ik eind van de ochtend een afspraak met een Groningse collega-hoogleraar en een potentiële promovendus. De jongeman heeft talent én een mooi onderzoeksthema. We wisselen van gedachten over opzet, methode en begeleiding, maar hakken nog geen knoop door. Ideeën moeten rustig kunnen rijpen...

Rond één uur pak ik een tram naar het centrum, waar de 20th International Conference of Europeanists aan de gang is. Het is een echt supermarktcongres, met (denkbeeldige) toonbanken in universiteitsgebouwen door de hele binnenstad, waarachter iedere twee uur een stel andere wetenschappers hun waar staat aan te prijzen. Ik probeer zulke megacongressen doorgaans te mijden. Geef mij maar een kleine, intensieve workshop, met hooguit twintig collega’s; dat is vaak stukken interessanter! Maar ditmaal heb ik mij door een collega uit New York laten overhalen om mee te doen aan een panel over de historicus Johan Huizinga. Een mooie gelegenheid om dat wat ik in Het moeras van de geschiedenis over Huizinga en het historisme schreef wat nader uit te werken, in het Engels ditmaal. Mijn PowerPoint-plaatjes – close-ups van een stel opmerkelijke stukken uit het Huizinga-archief in de Leidse UB – doen het goed!

Ik ben op tijd thuis om te koken en begin na het eten aan mijn recensie van Townsends boek.

Woensdag

Dit belooft een rustig dagje op de faculteit te worden. Ik trek de deur van mijn kamer dicht – met een beetje wroeging: is het geen mooi gebaar m’n deur altijd open te hebben staan? – om ongestoord mijn recensie te kunnen afmaken en dan te kunnen verder werken aan Als het verleden trekt: kernthema’s in de geschiedfilosofie. Dit wordt een Nederlandstalig handboek, bestemd voor bachelorstudenten, dat in elf korte hoofdstukken een inleiding in de geschiedfilosofie wil bieden. Zulke publicaties scoren laag op onze academische puntenlijstjes, met als gevolg dat vrijwel niemand meer de moeite neemt een goede, inleidende tekst voor studenten te schrijven. Maar dat is een gemiste kans! Ik vind het weliswaar een lastig genre, maar ook een uitdagende en leerzame klus. Het boek dwingt mij namelijk mijn gedachten helder te bepalen en allerlei dingen die ik ongeveer wel dacht te weten grondig uit te zoeken.

Dit geldt ook voor het hoofdstuk dat ik vandaag wil voorbereiden, teneinde het volgende week te kunnen schrijven: over historische verklaringen. Ik lees een paar teksten van Carl Hempel, Patrick Gardiner en William Dray, uit de hoogtijdagen van het debat over verklaringsmodellen (jaren zestig), aangevuld met meer recente bijdragen van Mark Bevir en Chris Lorenz. Geleidelijk beginnen de contouren van het hoofdstuk mij duidelijk te worden. Zoals altijd begint zo’n hoofdstuk met kladjes vol potloodstrepen, cirkels en pijlen. Tussen de bedrijven door lunch ik met een paar collega’s en voer ik een ROG (‘resultaat- en ontwikkelingsgesprek’).

Eind van de middag fiets ik naar het station. Ik koop een pastamaaltijd bij Julia’s en reis opnieuw naar Amsterdam, waar ik vanavond in OBA Live, het radioprogramma van Theodor Holman, iets over mijn onderzoek naar wetenschapsethiek rond 1900 mag vertellen. Ik heb aangename herinneringen aan mijn vorige optreden in dit programma – het gesprekstempo ligt relatief laag, wat de diepgang ten goede komt – en zit ook ditmaal met plezier aan tafel. Waar elders kun je omstandig uit de doeken doen hoe academische disciplinevorming in de negentiende eeuw tot debat over de persona van de wetenschapper leidde?

Eén eigenschap van wetenschappers, toen en nu, is discipline. Daarom sla ik, met enige spijt, een biertje na het interview af om mij, terug in de trein, met een rood pennetje te storten op de tentamens van maandag. Ik probeer het tempo erin te houden, om er niet eindeloos mee bezig te zijn. Dit is niet mijn favoriete klus!

Donderdag

Als ik onze kleine om vier uur ‘s ochtends een flesje geef, probeer ik hardnekkig niet aan mijn werk te denken. Ik zou graag nog een paar uur willen slapen...

Eenmaal op de faculteit werk ik mijn krabbels van gisteren uit, om daarna gezwind aan m’n volgende klus te beginnen. Samen met twee Vlaamse collega’s maak ik een themanummer van History of the Human Sciences, over veranderende historiografische praktijken (= de activiteiten die historici ondernemen om kennis van het verleden te verwerven) in de negentiende eeuw. De bijdragen van dit nummer zijn gebaseerd op een workshop die wij vorig jaar in Leiden organiseerden. De artikelen zijn inmiddels de (pittige) peer review gepasseerd en stuk voor stuk grondig herzien. Vandaag rest dan de laatste klus: de redactionele inleiding. Eén van mijn Vlaamse collega’s heeft een voorzet gemaakt en ik probeer daar een verhaal van te maken. Het grootste struikelblok blijken de definities. Wat verstaan we precies onder ‘praktijken’ en onder ‘archieven’? Geeft niet iedere auteur in ons nummer stiekem een eigen invulling aan deze begrippen?

Om half vijf ben ik klaar. Ik werk nog wat aantekeningen uit en beantwoord een paar mailtjes. Om half zes trek ik de deur achter me dicht, fiets langs het Kruidvat om de luiervoorraad op peil te houden en bereid een risottomaaltijd in de keuken. Mijn plan om ’s avonds met de tentamens verder te gaan, valt finaal in duigen: dochterlief eist alle aandacht op.

Vrijdag

Nogmaals een dag voor finishing touches, als het lukt, ditmaal aan mijn oratie. Sinds afgelopen september bekleed ik, één dag per week, een bijzondere leerstoel secularisatiestudies in Groningen – een job die mijn geschiedfilosofische expertise, behoefte aan maatschappelijke dienstbaarheid en interesse in kerk en religie perfect bij elkaar brengt. De oratie gaat over wat ik secularization narratives noem en is, meer dan ik mij van tevoren realiseerde, schatplichtig aan Hayden White, de Amerikaanse geschiedfilosoof aan wie ik destijds mijn proefschrift wijdde.

Ik loop het concept nog eens kritisch door en schrijf de laatste paragraaf, waarin ik uitleg waarom het ambitieuze wetenschappelijke program dat ik in de rede uiteenzet ook maatschappelijk relevant is, bijvoorbeeld voor kerken die zich afvragen hoe ze kerkverlating en kerksluiting moeten duiden. Hoewel ik aardig afgeleid word – die e-mail toch altijd! – ben ik rond vier uur klaar. Ik mail het verhaal naar twee Groningse collega’s, in de hoop op bruikbare feedback, en ga vroeg naar huis.

’s Avonds even géén werk. Mijn broer en schoonzus komen langs, met hun zoontje van zes maanden. Neef en nicht kijken elkaar beurtelings geïnteresseerd en wantrouwend aan en zetten dan in koor een keel op. Twee hoge, bibberende stemmetjes, op zoek naar veiligheid...

Zaterdag

Naar goed gebruik begint de zaterdagochtend met lekkere broodjes en verse jus d’orange. Heerlijk, zo’n rustige start in het weekend! Al ben ik voor die tijd al tweemaal m’n bed uitgestapt om onze jongedame van eten te voorzien. Rond elf uur zit ik weer tentamens na te kijken: zou ik vandaag het eind van de stapel halen?

Ik wissel de tentamens af met boodschappen op de markt. Ook kijk ik nog even naar een interessante call for papers van een Pools tijdschrift, met een deadline over enkele dagen, en besluit deze terzijde te schuiven. Het tijdschrift in kwestie is weliswaar open access, en dus voor iedereen toegankelijk, maar mijn doelgroep, waar ik toch een beetje aan moet denken, bereik ik waarschijnlijk beter via een Brits of Amerikaans tijdschrift.

Rond half vier stappen we in de auto (omdat onze dochter nog te klein is voor de fiets), op weg naar Katwijk aan Zee. We lopen een eind over het strand en drinken een kop koffie in onze favoriete strandtent. ’s Avonds zet ik onze houten keukenvloer eens goed in de olie en bel ik met mijn ouders. Terwijl mijn geliefde gaat hardlopen en de kleine ligt te spartelen alsof ze dat ook wel zou willen, kijk ik nog wat tentamens na. Ik ben er bijna...

Zondag

Leve de zondag, met zijn heilzame relativering van al onze drukte! Dat begint in de kerk, doorgaans, al blijf ik ditmaal met de kleine thuis, zodat mijn vrouw naar de kerk kan. Ik luister via internet mee en denk bij de gemeentezang die krakend uit mijn laptop komt aan een uitspraak van Frits van der Meer, de katholieke kunsthistoricus: ‘Ik heb wel eens gedacht dat de kerken van de Reformatie voortleven krachtens twee dingen: het stille lezen van de Schrift, en het niet aflaten van met man en macht samen te zingen.’

Ook de rest van de zondag staat in het teken van rust. Ik lees de kranten van de afgelopen dagen, begin in een stevig, Duitstalig boek, ben ’s middags aan de beurt om naar de kerk te gaan, praat na afloop met een paar vrienden bij en luister ’s avonds samen met mijn geliefde naar een cd met Renaissance-muziek van Jean Richafort. Op het Requium in memoriam Josquin des Prez valt onze kleine meid spontaan in slaap...


 


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken