De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 37: dagboek van Teun Bousema (deel 2)

4 juni 2013

Teun Bousema, fotografie Milette RaatsWeekdagboek van een wetenschapper: Teun Bousema (RU) van 27 mei - 2 juni 2013. Teun doet onderzoek op het gebied van tropische geneeskunde, parasitologie en infectieziekten.

Donderdag

Vanochtend heb ik geen afspraken. Door mijn slaapritme begint de dag toch vroeg, wederom met een hardloopmoment. Ik heb gisteren tot vrij laat lokaal bier gedronken in Busboys and poets. Aan de bar en raakte in gesprek met een jazzmuzikant en een oudere Amerikaan op zakenreis die erop stond dat ik mee-at van zijn pizza. Waarschijnlijk vond hij me ongezond dun. Terwijl ik vanochtend mijn spieren strek bij het Capitool, denk ik aan het thuisfront. Gisterochtend was er kort een moment dat ik kon skypen met Alma. Iedere keer dat ik op pad ben, en ik probeer niet te tellen hoe vaak dat is, zorgt zij voor onze Jelle (2j) en Sven (9m). Een jaar of drie geleden reisden we allebei enorm veel. Sindsdien ben ik nog steeds vrijwel iedere maand één of meerdere malen op pad terwijl haar leven zich momenteel vooral in Nijmegen afspeelt. Ondanks dat zij het reizen zelf wel mist, is ze er enorm relaxed over en natuurlijk hoort het ook een beetje bij haar leven met een tropenonderzoeker. Maar het blijft bijzonder en bijzonder prettig dat het allemaal zo soepel gaat.

Als ik terug ben van het hardlopen is het zes uur en zie ik dat Chris, mijn meest directe collega uit Londen, online is. Chris is een vriend met wie ik al 8 jaar samenwerk; we woonden lange tijd samen in dezelfde wijk in Moshi, Tanzania. Na een korte update over onze gezinnen en een paar flauwe grappen over collega’s die denken dat ze met proefdieren tot zinniger conclusies kunnen komen over malaria dan wij met ons veldwerk, bespreken we de uitnodiging van Nature Reviews in Microbiology (hij helpt graag mee) en het artikel over de studie in Oeganda dat we nu kunnen opsturen. Daarna bespreken we een strategie voor een vergadering in Barcelona waar ik naartoe ga en stellen we een agenda op voor half juni (over twee weken alweer, bedenk ik me nu ik dit typ) wanneer ik een week in Londen zal zijn om drie van mijn promovendi daar te begeleiden. Na het gesprek werk ik een paar uur aan een artikel over een studie in Kenia die we in 2009 afrondden maar waarvan de lab analyses nu pas echt goed klaar zijn. Soms duurt het enorm lang voordat data het daglicht zien. Dit stuk heeft ook een aantal jaar liggen rijpen, is door een paar tijdschriften afgewezen en wordt nu hopelijk geaccepteerd in een degelijk Amerikaans infectieziektentijdschrift. Dat zou goed nieuws voor mij zijn maar vooral voor een Soedanese promovendus die de eerste auteur van het artikel is. In de medische wetenschap is publiceren enorm belangrijk. Hoeveel publiceer je? In welke tijdschriften? Hoe vaak ben je al door andere onderzoekers geciteerd? Drie vragen waarin een carrière vaak samengevat wordt. Het is een irritante vereenvoudiging van het belang van onderzoek en het proces van onderzoek doen. Eigenlijk willen veel onderzoekers er liever niet aan meedoen maar je ontkomt er bijna niet aan. Slechts een enkeling lukt het maar dit zijn veelal wat oudere onderzoekers die carrière hebben gemaakt in een periode toen je voor subsidies minder afhankelijk was van je publicatiegeschiedenis. Toevallig loop ik zo’n persoon tegen het lijf in het hotel. Tom is een uiterst onsmakelijk ogende Brit die in gezelschap ongegeneerd uit zijn neus eet, zijn haar niet lijkt te kammen en zich niets aantrekt van kledingvoorschriften. Tom is ook een zeer intelligente mathematicus met een enorm goed gevoel voor humor. Zijn teddybeer heeft een pagina op Facebook en geeft daar commentaar op wetenschap, politiek en de economie. De teddybeer heeft overduidelijk socialistische sympathiën en onwaarschijnlijk veel digitale vrienden voor een knuffelbeest. Deze collega weigert mee te doen aan het hele spel van publiceren. Hij publiceert maar het lijkt hem niet uit te maken in welk tijdschrift. Zijn werk wordt toch wel gelezen en hij is zo goed dat hij veelvuldig gevraagd wordt in internationale denktanks. Helaas kan ik dat me niet veroorloven en vraag ik me zeer geregeld ongerust af of ik wel genoeg en goed genoeg publiceer om mijn hoofd boven water te houden.

Om tien uur loop ik richting de National Gallery. Omdat ik iedere week vrij veel uren werk, gun ik mezelf grote flexibiliteit als ik op reis ben. Het zou zonde zijn om geen gebruik te maken van de voordelen van een hectisch reisprogramma. Wat Amerika mist aan historische gebouwen maakt het goed met indrukwekkende musea. Ik besteed twee uur aan het museum dat eigenlijk een dag verdient. Genoeg topstukken om tien musea mee te vullen en een indrukwekkend groots gebouw. In verschillende ruimtes staat een schilder ezel voor algemeen gebruik. Een dame stalt haar kwasten en verf uit tenmidden van schilderijen van Degas. Ik heb zelf weinig creatieve talenten maar kan er wel enorm van genieten die bij anderen te zien. Vlakbij het museum vind ik een coffeeshop waar geweldige jaren dertig blues uit de luidprekers klinkt. Terwijl de gitaar van Skip James zachtjes huilt verstuur ik wat mails. Ik probeer collega’s enthousiast te maken om samen te werken aan een protein microarray, een chip met parasieteiwitten waarmee je in kaart kunt brengen welke menselijke antistoffen een rol spelen bij de verspreiding van malaria. Een aantal collega’s beloven hun favoriete eiwitten op te sturen naar Nijmegen.

Ik ben de tijd vergeten. Snel klap ik mijn laptop dicht en snel me naar mijn laatste afspraak in Washington. MVI, de organisatie die ook de vergadering bijeen had geroepen, staat op het punt me een beurs toe te kennen om wat te sleutelen aan methoden waarmee je de transmissie van malaria van mens naar mug aantoont. Er zijn wat laatste vragen over mijn budget voor dit project en over intellectual property (hoeveel van onze Nijmeegse expertise maken we vrij toegankelijk voor de rest van de wereld?) maar het lijkt allemaal in kannen en kruiken. Op de tiende verdieping van strak kantorencomplex met prachtige foto’s van hun projecten in Afrika en Azië aan de wand, zetten Merribeth en ik de laatste puntjes op de i. Goed nieuws want ik heb het geld nodig om een promovendus en een laborant in dienst te kunnen houden.

Vrijdag

Inmiddels ben ik in Barcelona. Toen ik deze week uitkoos voor het dagboek van de wetenschapper dacht ik dat het een rustige week in Nijmegen zou worden. Pas nadat ik mijn naam op het schema had genoteerd kwamen de vergaderingen in beeld. Morgen heb ik een vergadering met de Bill & Melinda Gates Foundation en een groep collega’s van uit Baltimore, Barcelona en Basel. De reis van Washington naar Barcelona was uiterst ongelukkig. Via Amsterdam en met veel te veel overstaptijd. Op het vliegveld bereid ik mijn presentatie voor en skype ik met Sophie, een promovendus die voor veldwerk in Ouagadougou zit. Ze deelt mee dat ze grote problemen hebben met de geplande experimenten. Ik geef wat tips en probeer me er verder geen zorgen over te maken. Ik sluit aan in de rij feestende tieners en twintigers die om andere redenen naar Barcelona gaan.

Ik kom laat in de middag aan in mijn hotel. Het is een slecht hotel. De dames van Gates en de Zwitserse en Amerikaanse collega’s zitten in een hotel van 200 euro per nacht. Omdat ik het hotel van ons projectgeld moet betalen en ik daar liever labreagentia van koop, heb ik vanuit Nederland gehaast iets via tripadvisor gevonden voor minder dan de helft van die prijs. De kamer heeft geen ramen, de douche is lauw, het bed is te klein, het hotel zit vol Duitse FC Barcelona fans en het hotel is ruim een half uur lopen van het ziekenhuis waar de vergadering morgen is. Verder is het een uitstekende keuze. Ik zal er sowieso weinig tijd doorbrengen. Het is mijn eerste keer in Barcelona en ik neem het laatste deel van de middag vrij. Ik slenter door de nauwe straatjes rondom de kathedraal, bezoek La Sagrada Familia en zit lang op een terras met een boek. In Washington heb ik het boek Tulipomania gekocht. Het boek stond al langer op mijn verlanglijst maar ik kon het nooit ergens vinden. Een boeiend boek over een periode in de Gouden Eeuw waarin een enkele tulpenbol soms verkocht werd voor de prijs van enkele jaarsalarissen. De duurste tulpenbol ging over de toonbank voor meer dan driemaal de prijs die De Nachtwacht destijds opbracht. Vermakelijke kost. Ik had ook best geschiedenis willen studeren. Op het een terras eet ik tapas als diner. Om half tien, voordat het gemiddelde restaurant opent, ga ik terug naar mijn hotel. Ik doe nog een halfbakken poging tot een statistische analyse van een studie in Kenia en slaap vroeg en lang.

Zaterdag

De lange wandeling naar het ziekenhuis is heerlijk. Wat een prachtige stad. De vergadering is goed. Ivo, een Zwitserse collega is erg intelligent maar heeft een slechte woord:inhoud ratio. Zijn voordracht duurt anderhalf uur, de mijne vijfentwintig minuten. Matt, een collega uit Baltimore, is speciaal voor de vergadering gekomen en heeft indrukwekkende genetische analyses gedaan op materiaal dat ik in Oeganda en Burkina Faso verzameld heb. Hij heeft een soort genetische vingerafdruk van parasietmateriaal in mensen en muggen bepaald en daarnaast een techniek ontwikkeld om verschillende levensstadia van malariaparasieten aan te tonen. Wij hebben soortgelijke analyses ook in Nijmegen gedaan. Alle resultaten bevestigen elkaar. Hier zit een leuk artikel in en we spreken af samen uit eten te gaan om zaken rustig te kunnen bespreken. De dames van Gates zijn enthousiast over de resultaten van de projecten die zij financierden. Sinds 2009 komt een groot deel van mijn onderzoeksgelden van de Bill & Melinda Gates Foundation en ik ben erg te spreken over de gang van zaken. Je moet doen wat je beloofd hebt, de milestones van het project zijn heilig, maar daarbinnen is er altijd veel flexibiliteit met budgetten en tijdslijnen. Bovendien zien ze graag samenwerking, en is het allemaal erg persoonlijk. Het voelt goed als je je geldschieter kunt zoenen ter begroeting en als je geregeld met ze in de kroeg eindigt. Uiteindelijk streven we hetzelfde na en zijn wij als onderzoekers voor hen even belangrijk als zij voor ons.

De vergadering is rond zes uur afgelopen en ik heb pas om halfnegen afgesproken met Matt. Ik dood de tijd in het museum voor moderne kunst waar een Mexicaanse documentaire draait. Het verhaal over de belabberde toestand van ethnische minderheden en misbruik in gevangenissen stemt niet echt vrolijk maar de film is goed en de setting geweldig. Daarna ontmoet ik Matt op een terras. We bestellen uiteindelijk bijna alle tapas van het menu. Geweldige vis en artisjok. Drie uur lang bespreken we resultaten, bedenken een nieuwe studie en praten over onze generatie malariaonderzoekers. Hij vertelt hoe het is om als Europeaan in de VS te werken. Dat je je als Europeaan je vaak wat te bescheiden opstelt ten opzichte van de breedsprakiger Amerikanen. Terwijl hij enthousiast over ‘really quite promising data’ praat, beschrijft een Amerikaan hetzelfde als een ‘fantastic breakthrough’. Zelfs na zeven jaar werken in de VS krijgt hij bijna nooit een verzoek om een aanbevelingsbrief te schrijven voor studenten. Aanbevelingsbrieven horen daar zo ongelofelijk positief te zijn dat iedere student een intelligenter versie van Albert Einstein of Marie Curie lijkt te zijn. Hij kan dat spel niet helemaal meespelen en zijn oprecht enthousiaste bewoordingen vallen nog steeds in het niet bij die van Amerikaanse collega’s. Als hij al een aanbevelingsbrief schrijft, vermeldt hij altijd uitdrukkelijk dat hij van Duitse origine is.

Zondag

Gelukkig heb ik gisteravond nog even op mijn ticket gekeken. Ik was ervan overtuigd dat ik nog een ochtend in Barcelona had maar mijn vlucht is om half negen. Met mijn koffertje, ik heb het met enkel handbagage gered deze week, loop ik om kwart over zes richting de shuttle bus die mij naar het vliegveld brengt. Er zijn nog veel mensen op straat. De meesten beduidend joliger dan ik.
Het was een prima week. Ik voel me verrassend uitgerust en heb veel goede contacten gehad. Ik heb wel enorm veel zin weer naar huis te gaan. Alma belt terwijl ik op mijn vliegtuig wacht. Jelle vertelt dat hij een taart heeft gebakken; Alma nuanceert zijn bewering die me al wat onwaarschijnlijk leek voor een tweejarige. Sven heeft leren kruipen in mijn afwezigheid. De echt belangrijke zaken gaan gewoon door als je er even niet bent. De rest van de zondag breng ik door in de zandbak.

 


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken