De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 36: dagboek van Ysbrand van der Werf (deel 1)

28 mei 2013

Ysbrand van der Werf, fotografie Milette RaatsWeekdagboek van een wetenschapper: Ysbrand van der Werf (Nederlands Herseninstituut, VUmc) van 20 - 26 mei 2013. Ysbrand doet onderzoek naar slaap en slaapverstoring.

Maandag

Maandag is meestal de dag die ik op het VUmc doorbreng; een van mijn twee werkplekken, waar ik samen met mijn collega een leuke maar ongebruikelijke constructie heb waarin we samen groepsleider zijn en 6 promovendi begeleiden. Een constructie die bijzonder goed werkt vanwege de complementariteit van ons tweeën (Odile is psychiater, ik bioloog/psycholoog) en het feit dat we samen gewoonweg meer kunnen dan alleen.

Ik zeg ‘meestal’, want vandaag is Pinkstermaandag en dus een vrije dag. Dus niet de gebruikelijke rij afspraken met de promovendi en studenten, geen lezingen, werkoverleggen of koffiepauzes. Dit Pinksterweekend is mijn vader op bezoek en doen we culturele dingen zoals naar de opera en de tentoonsteling van Peter de Grote in de Hermitage. Vader is namelijk gepensioneerd natuurkundige en mag dan wel in ruste zijn, maar nog steeds geïnteresseerd in wetenschap en al haar toepassingen en uithoeken. Peter de Grote was een krijgsheer, maar ook staatsman en een begenadigd scheepsbouwer met een brede interesse die zich uitstrekte tot de natuurwetenschappen en de geneeskunde. Ik kom zelfs een opengewerkte schedel tegen op sterk water uit de collectie, die me doet denken aan de snijpractica die ik anders op maandag wel doe; op het VUmc werk ik op de afdeling Anatomie en een gedeelte van het onderwijs dat ik verzorg is een practicum hersen-anatomie, waarbij we ook dergelijke preparaten laten zien en maken. Ik moet zeggen dat dit preparaat van rond 1700 in uitstekende staat is en niet onderdoet in niveau van detail voor de preparaten die we zelf op de afdeling hebben.

Weer thuis verontschuldig ik me na het eten om toch wat te kunnen werken; ik had beloofd een paper van een student na te kijken dit weekend en wil ook alvast mijn emails lezen, voordat ik morgen weer aan het werk ga en me ‘s ochtends eerst door alle emails van het weekend heen moet werken. Gelukkig snapt vader dat prima en zo zit ik met mijn laptop op schoot en hij met een boek dat hij uit mijn boekenkast heeft gehaald: ‘Ontsporing’ van Diederik Stapel. Natuurlijk gaat ons gesprek daar af en toe over: omdat we beide wetenschapper zijn voelen we ons natuurlijk ook geraakt door het bedrog en de kwade reuk die hij over zijn vakgebied maar ook over de wetenschap als geheel heeft verspreid. We bediscussiëren of het nou aan het vakgebied van Stapel ligt dat het bedrog zo lang heeft standgehouden of dat het in andere vakgebieden net zo goed en omvangrijk zou kunnen zijn. Als ‘klassieke’ wetenschapper is vader een onverbeterlijk Popperiaan en hekelt de neiging die in de sociologie en psychologie wel eens heerst om gedachten bevestigd te willen zien (verificatie), terwijl je een vermoeden juist zou moeten onderzoeken op uitkomsten die er strijdig mee kunnen zijn (falsificatie). Of dat nou waar is of niet, in elk geval concluderen we dat de persoonlijkheid van de man zeker mede bijgedragen zal hebben aan zijn gedrag. Ook in zijn boek blijkt hij namelijk een begaafd verhalenverteller.

Dinsdag

Deze druilerige mei dag fiets ik ‘s ochtends door de regen naar station Amsterdam Zuid om vanaf daar met de metro door te reizen naar mijn andere werkplek: het Nederlands Herseninstituut, gelegen op het terrein van het AMC. Op deze plek zetelt mijn andere groep, die sinds een paar weken is opgericht. Na 10 jaar werken in de groep ‘Slaap&Cognitie’ van collega Eus van Someren heb ik sinds kort dus een zelfstandige werkgroep die op dit moment naast mijzelf bestaat uit twee promovendi, een onderzoeksassistent en een stagiair. Hier doen we onderzoek naar slaap en slaapverstoringen, in relatie tot cognitieve en emotionele processen. Het leiden van een nieuwe eigen groep is spannend en brengt weer geheel nieuwe dynamiek met zich mee, zoals de groepleiders-vergadering, geregelde contacten met de directie, onderhandelen over werkruimte en voorzieningen etc., dingen waarvan ik tot voor kort verschoond was omdat ik me kon verschuilen achter de rug van Eus. De komende tijd staat voor mij in het teken van het verdelen van mijn tijd over mijn twee groepen, op het Nederlands Herseninstituut en VUmc, en te zorgen dat het onderzoek van die twee groepen op elkaar afgestemd wordt.

Vandaag in elk geval heb ik werkoverleg met een van de promovendi die bezig is een artikel te herschrijven voor een vaktijdschrift, dat we met suggesties voor verbetering hebben teruggekregen. Hij is Japans en onze communicatie verloopt altijd tamelijk hilarisch, maar hij is een hele harde werker en uiterst gemotiveerd. Het is zijn eerste paper, dus extra spannend. De onderzoeksassistent, Frank, zit midden in een onderzoek dat we uitvoeren bij kinderen, die we via internet testjes laten doen en van wie we zoveel mogelijk over de slaap te weten willen komen om te zien of slaap-karakteristieken samenhangen met leervermogen. Het is een onderzoek dat we samen met Tamara van Gog uit Rotterdam hebben opgezet, een van mijn collega’s van De Jonge Akademie. Frank heeft bij ons zijn stage gedaan en ik heb hem gevraagd of hij zijn onderzoek wilde afmaken in de vorm van een tijdelijk betaalde aanstelling; hopelijk levert het ons beide wat op, werkervaring voor hem en wetenschappelijke output voor mijn jonge team. Verder stroomt de dag vol met grote en kleinere dingen, collega’s die langsvallen met vragen en impromptu overleg, emails, veel emails. Leuk is ook een stuk van een andere voormalige stagiair, die nu zijn scriptie aan het omschrijven is tot manuscript. Hij heeft een literatuurstudie gedaan naar oorzaken en inzichten over insomnie, en heeft daarin een aantal leuke nieuwe gezichtspunten gevonden en verbanden gelegd. Rond vieren kijk ik even in mijn agenda en blijk een vergadering om twee uur volledig over het hoofd gezien te hebben. Ik geloof dat ik het niet heel erg vind.

Woensdag

De woensdag is weer een dag dat ik op het Nederlands Herseninstituut zit. De dag begint met een bijeenkomst van een groot project waarin ik zijdelings betrokken ben; het gaat om regulatie van lichaamstemperatuur, bloeddruk en waakzaamheid, in gezonde proefpersonen maar ook in patiëntengroepen. De promovendi die werkzaam zijn op het project, uit de groep van Eus van Someren, hebben een indrukwekkende demonstratie voorbereid van alle apparatuur die ze in de metingen gebruiken. De bijeenkomst loopt door in de lunch en na afloop kom ik weer op mijn kamer waar ik mijn team aantref, de twee promovendi en de onderzoeksassistent. De stagiair is vandaag bezig met een meting, dat wil zeggen dat er een proefpersoon in de onderzoeksruimte is die een geheugentaak uitvoert waarna hij een middagdut doet; wij meten dan de hersenactiviteit tijdens de taak maar ook tijdens de slaap en na wakker geworden te zijn voert de proefpersoon de taak nog een keer uit. Wij zijn op zoek naar de relatie tussen geheugen en slaap, omdat we indicatie hebben dat tijdens de slaap een actief proces plaatsvindt dat er voor zorgt dat dingen die je overdag hebt geleerd beter vastgelegd worden. Het is een proces dat we niet goed begrijpen en daarom doen we metingen voor, tijdens en na de slaap om te zien of we iets in de hersenen zichtbaar kunnen maken dat hiermee verband houdt. Het is een echt groeps-proces want de stagiair voert de metingen uit maar wordt in het praktische werk bijgestaan door iemand uit het team, in toerbeurt. Ook voor de analyses van de gegevens is er veel onderling overleg tussen de promovendi, de assistant en de stagiair. Het is goed om te zien hoe de groepsdynamiek ervoor zorgt dat projecten die te groot zijn voor een persoon tot een goed einde komen en dat iedereen iets bijdraagt.

In de middag hebben we een werkbespreking met twee collega’s uit een andere groep op het instituut, die een geheugentaak van ons geleend hebben voor een onderzoek bij een patientengroep met een zeldzame erfelijke aandoening. Leuk om iets te leren van een onderwerp dat niet mijn eigen expertise is. Aansluitend een werkoverleg met een groep mensen uit mijn team en die van Eus van Someren over een spannend nieuw onderwerp: Brain computer interfaces. We willen proberen om tijdens de slaap, op basis van de patronen de je ziet in hersenactiviteit in real time, stimuli aan de slapende proefpersonen aan te bieden. We denken dat het mogelijk moet zijn om tijdens de slaap informatie aan te bieden die de slapende deelnemer dan onbewust opneemt en verwerkt. Een technisch hoogstandje, omdat de hersenactiviteit online geanalyseerd moet worden met een snelheid van enkele milliseconden, waarna de stimuli zoals geluiden worden afgespeeld, heel precies in tijd gelinkt aan de patronen van hersenactiviteit. Wie de film ‘Inception’ heeft gezien weet ongeveer wat de bedoeling is, ook al willen we natuurlijk niet dromen manipuleren om iets van iemand gedaan te krijgen, maar om te begrijpen hoe hersenen tijdens de slaap functioneren en omgaan met nieuwe informatie. Erna heb ik nog overleg met een van de promovendi die bezig is een planning te maken voor de komende tijd. Welke projecten hebben voorrang, welke moeten op een zacht pitje, wat is de beste volgorde. Hij is nu in zijn derde jaar als promovendus en begint de druk te voelen om zijn boekje te vullen met artikelen en hoofdstukken. Als dat afgelopen is is het na zessen en ben ik wat murw door alle werkoverleggen over verschillende projecten. Ik haast me naar de metro omdat vanavond iemand van een klusbureau langskomt om naar mijn tegelvloer in de douche te kijken die lekt. Hij lijkt niet onder de indruk en denkt dat het een klus van een paar uur is, we maken een afspraak voor vrijdag.

‘s Avonds probeer ik orde te scheppen in de reizen die ik deze zomer ga maken voor congressen en vakantie; heb ik alle vluchten, aanmeldingen, overnachtingen geregeld? Ik probeer alle betalingsbewijzen bij elkaar te rapen zodat ik het kan declareren, niet mijn favoriete werk. Ook begin ik aan een beoordeling van een manuscript dat bij een international vakblad is aangeboden en dat naar mij is gestuurd voor zgn. peer-review. Het is een onderwerp dat nog uit mijn promotietijd stamt en waarvoor ik met enige regelmaat nog gevraagd word om iets te schrijven of te zeggen, ook al werk ik er eigenlijk al 12 jaar niet meer aan. Blijkbaar is het een tamelijk specialistisch onderwerp waar al jaren dezelfde mensen aan werken. Ik lees het voor de helft en laat het liggen voor morgen.

Donderdag

Vandaag weer naar de VU, te beginnen een overleg met collega’s va de Faculteit Aard- en Levenswetenschappen, met wie we een samenwerking hebben op het gebied van complexe analyses van EEG. Er lijkt iets uit de analyses te komen dat we min of meer kunnen duiden, dus we bespreken een aantal vervolg-analyses. Inmiddels is mijn volgende afpraak al gekomen, een collega van de afdeling Klinische Neurofysiologie op het ziekenhuis, die mij en mijn promovendus helpt met het uitwerken van hersenscans van een groep Parkinson patienten. Ook daar lijkt schot te zitten in de analyses en we besluiten tot nog een paar extra analyses om te zien of daarmee het verhaal rond is en opgeschreven kan worden. Ik ben vijf minuten te laat voor het afdelings-overleg, waar wekelijks iemand een lezing houdt over zijn of haar projecten. Het is stampvol dus ik moet blijven staan achterin, en luister naar een lezing over een diermodel voor nicotine verslaving. Interessant omdat we een project voorbereiden met diezelfde groep om ook bij mensen nicotine verslaving te onderzoeken en behandelen. Naast het overduidelijke klinische belang om mensen te helpen stoppen met roken, vind ik het ook interessant om te zien welke factoren bijdragen aan het afleren van een verslaving; in die zin is het niet heel anders dan het aan- of afleren van ander gedrag dus ik ben benieuwd of bijvoorbeeld slaap daar ook aan bijdraagt. Het leuke van mijn werk, half in een onderzoeksinstituut en half in een klinische omgeving, is dat je de stap van fundamenteel onderzoek naar toepassing en terug relatief gemakkelijk kunt maken.

Na afloop van de lezing is het al één uur en ik haal wat te eten dat ik achter mijn pc opeet. Ik weet dat het niet heel gezond is, en mogelijk ook niet heel gezellig, maar ik heb de hele dag nog niet achter mijn pc gezeten en voel de behoefte om mijn emails door te nemen en de klussen die ik voor vandaag had gereserveerd te doen. Ik werk weer verder aan de peer-review maar krijg het ook nu weer niet af, dus daarmee heb ik de streefdatum niet gehaald die het blad van me gevraagd heeft. Niet goed; zelf vind ik het ook altijd vervelend als een blad lang op zich laat wachten wanneer ik een manuscript opstuur en nu ben ik zelf de vertragende factor. Die avond bereid ik de presentatie voor die ik morgen ga geven, op de tweedaagse ledenbijeenkomst van De Jonge Akademie.

Lees verder deel 2

 


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken