De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 27: dagboek van Holger Gzella (deel 2)

21 maart 2013

Weekdagboek van een wetenschapper: Holger Gzella (UL) van 11 tot en met 17 maart 2013. Holger is een expert op het gebied van talen uit de wereld van het Oude Testament.

Donderdag

Na een goede nachtrust sta ik om kwart voor tien verfrist op. Het is relatief zonnig en warm. Er zijn op donderdag geen colleges, maar wel op zaterdagochtend: de oude traditie van de “villa-dag” van de kerkelijke instituten in Rome wordt hier nog gehandhaafd. De oorspronkelijke bedoeling was gezamenlijk ter ontspanning naar een recreatiehuis buiten de stad te gaan, toen er nog duidelijk minder mogelijkheden waren voor een individuele dagindeling van geestelijken. Dat is inmiddels veranderd, maar zo’n moment van rust door de week blijft erg prettig. Ik besluit om het zelf ook rustig aan te doen, ga in een bar ontbijten, loop een beetje door de stad en bekijk in een winkel dvd’s van recente Italiaanse films. Mijn keuze op grond van onderbuikgevoelens wordt geleid door mijn “interessante fascinatie voor films die draaien om een nogal bijzondere (liefdes) relatie”, die ooit iemand bij me gediagnosticeerd heeft. In films pakt die fascinatie gelukkig minder vervelend uit dan soms in het leven.

Ter afsluiting van deze schitterende dagen lunchen we met vijf Semitisten van vijf verschillende nationaliteiten in de Jezuïetencommuniteit en praten over van alles bij: behalve mijn drie naaste collega’s uit de Sociëteit komt ook een andere studiegenoot gedurende mijn jaren in Rome, die in Heidelberg promoveerde terwijl ik daar met mijn Habilitation bezig was en nu de opvolger is van mijn reeds genoemde leermeester Assyriologie aan het Bijbelinstituut. De nieuwe paus is ook een onderwerp, maar het is maar één van vele onderwerpen. In Rome wordt de hele wereld een dorp (zoals de psalmist zegt: omnes fontes mei in te, “Al mijn bronnen zijn in U”), en de ontspannen sfeer van de “villa-dag” vermindert de drukte aanzienlijk.

Na deze uitgebreide en gezellige lunch maak ik nog een bezoek aan Santa Maria Maggiore en Sant’Ignazio. Een laatste koffie met mijn gastheer markeert het einde van mijn verblijf; om half zeven vertrek ik van het Bijbelinstituut richting vliegveld. Tijdens de reis lees ik zoals altijd “mijn” kranten: de “Frankfurter Allgemeine Zeitung” en “Die Zeit”, heel af en toe ook “The New York Review of Books”. Alles analoog, want het geluid van papier bevalt me net zo goed als de afscherming door het klassieke niet-tabloid formaat, en allerlei krantenknipsels komen dikwijls in boeken over gerelateerde onderwerpen terecht. Het NRC Handelsblad daarentegen lees ik maar onregelmatig: het bevat weliswaar vaak interessante culturele en wetenschappelijke bijdragen, maar de berichtgeving over sommige onderwerpen is voor mij alleen in homeopathische doseringen vol te houden. Om één uur ben ik thuis, pak mijn koffer uit, lees wat mails en maak nog aantekeningen voor het dagboek. Om drie uur gaat het licht uit.

Vrijdag

Er zijn geen afspraken vanochtend, dus de wekker blijft uit en ik sta om kwart over elf op. Vlak daarna zit ik met een sterke espresso thuis achter de computer. De Italiaanse bar is de enige instelling ter wereld die mij tot een ontbijt kan motiveren; als die buiten bereik is, heeft het concept ontbijt geen betekenis en eet ik wat kleinere dingen over de dag verdeeld. Thuis werken is voor mij de enige optie, want ik ben beslist geen kantoormens en woon bewust op korte loopafstand van de universiteit. Dankzij het ontbreken van enig soort gezinsleven (heb ook nooit samengewoond) vind ik hier de nodige stilte en concentratie. Bovendien leef ik in de veronderstelling dat wat fysieke afstand van de werkvloer te goed komt aan de onafhankelijkheid van mijn mening, al is dat misschien maar een illusie.

Ik begin ermee wat klussen te klaren: data prikken voor een vergadering van mijn leerstoelgroep en een promotie, afspraken maken met andere medewerkers en studenten, verschillende mails beantwoorden, een werkstuk alsmede de opzet van een MA scriptie nakijken en uitvoerig feedback sturen en me over een opleidingszelfstudie buigen. Het laatste aspect vertoont een aantal cruciale gebreken van het Nederlandse onderwijsbeleid op dit moment: de combinatie van inhoudelijke verschaling en extreme administratieve overlast. Het op laten gaan van met name klassieke talen- en culturenopleidingen in zogenaamde “brede” opleidingen, waarvan nog helemaal niet duidelijk is of studenten daardoor adequaat voorbereid worden op een competitieve arbeidsmarkt, heeft vaak geen enkel inhoudelijk, financieel of beheersmatig voordeel, maar het veroorzaakt heel veel werk en frustratie voor de betrokkenen en maakt hele vakgebieden onderhevig aan de willekeur en op geen kennis van zaken gebaseerde ideologie van afzonderlijke beleidsmakers (een afstudeerrichting kun je namelijk veel gemakkelijker opheffen dan een opleiding): vaak mensen van vijftig-plus die behalve hun eigen universiteit weinig van de wereld gezien hebben maar ongehinderd door enige kennis van zaken pretenderen heel goed te weten wat wel of niet bij de tijd past. Waarbij het laatste niet identiek hoeft te zijn aan wat goed is voor de huidige generatie studenten.

Vervolgens schrijf ik een gedetailleerde evaluatie van een taalkundig onderzoeksproject, waarvoor de “Israel Science Foundation” me als peer reviewer gevraagd heeft. Ik probeer altijd om wat constructieve kritiek te leveren zodat zo’n onderzoek misschien nog iets beter wordt in plaats van iets zomaar af te knikken, zelfs als het voorstel me goed bevalt, maar dat is elke keer lopen op eieren. Om vijf uur is het tijd voor een langere pauze: ik speel wat piano, zoals iedere dag, Bach en improvisaties, doe boodschappen en wat huishoudelijke dingen, werk een aantal aantekeningen voor het dagboek uit, lees de krant en maak eten klaar.

Om negen uur is het tijd om een beetje productief te worden. Ik krijg de pen redelijk vlot op papier en heb allang afscheid genomen van een onrealistische mate van perfectionisme, die vaak geworteld is in de angst voor openbare kritiek, maar ben nooit een echt keiharde werker met veel zelfdiscipline en een gestructureerde dagindeling geweest zoals veel andere collega’s. Het past eerder bij mij om te lezen, na te denken en attent te blijven voor interessante dingen zonder dat er noodzakelijkerwijs iets concreets bij uitkomt. Vandaar heb ik ook nooit een oprechte belangstelling (laat staan enig noemenswaardig succes) gehad voor het managen van teams en projecten, waar men – tenminste in principe – volgens een vast tijdschema gezamenlijk een stukje vooruitgang boekt. Voor mij zit in mijn vak de belangrijkste bron van vooruitgang in het hoofd van de afzonderlijke onderzoeker.

Veel verzoeken om boekrecensies en hoofdstukken voor bundels of handboeken vanuit de hele wereld houden me wel bezig. Het echte schrijfwerk gebeurt altijd in een vrij korte periode, met flink wat losse reflectie vooraf en veel schaven zodra er een bijna volledige conceptversie staat, totdat de imperfectie verantwoord is. Ik heb dan ook regelmatig maar op onvoorspelbare momenten grote stukken tijd en bloc nodig om me met maximale focus helemaal te verliezen in een onderwerp. Met name onverwachte auditieve prikkels komen bij mij van jongs af nogal intens binnen en schoppen me gauw uit balans, dus ik schakel dan de telefoon uit (een mobieltje bezit ik niet en de deurbel beneden bij de ingang van het appartementencomplex waar ik woon doet het gelukkig ook niet). De beste tijd voor mij om het echte werk te doen is dus ’s nachts: ik hou van de nacht, van de stilte en het donker, Michelangelo heeft er prachtige sonnetten over geschreven en aan zijn afbeelding van haar in de Medici kapel in Florence een uil toegevoegd, vanouds een symbool van de wijsheid.

Vanavond begin ik aan een recensie over de kersverse editie van een aantal officiële brieven en lijsten in het Aramees uit het antieke Bactrië, het huidige Afghanistan, gedurende de laatste jaren van het Perzische wereldrijk tot het begin van de heerschappij van Alexander de Grote. Deze teksten zijn pas enkele jaren geleden op de antiquiteitenmarkt verschenen en nu sinds een paar maanden gepubliceerd. Vers bronmateriaal is in mijn vakgebied altijd een grote stap vooruit, maar dit is heel bijzonder omdat het ons meer inzicht verschaft in de Perzische administratie. We weten namelijk nog steeds niet zo goed hoe men toen erin geslaagd is om een rijk van Egypte tot Afghanistan gedurende tweehonderd jaar zo efficiënt bij elkaar te houden. Bovendien blijkt nu duidelijk dat bepaalde administratieve procedures onder Alexander gewoon doorgingen.

Ik zit weliswaar meer aan de taalkundige dan aan de cultuurhistorische kant van het vak, maar het Aramees, een beetje het Engels van toen, behoort tot de kern van mijn specialisatie, en ik beoefen de filologie ook bewust in een brede zin. Met name nieuwe teksten, die altijd onbekende woorden en uitdrukkingen bevatten, zijn ook niet zomaar toegankelijk voor historici, want het vergt veel ervaring om daar verantwoord mee om te gaan. Afgelopen jaar hebben me de redacteurs van een nieuw internationaal handboek over het Perzische Rijk dan ook gevraagd om per januari 2013 een hoofdstuk over de administratie van Bactrië te schrijven. Ik heb me toen in nauw contact met een goede vriend, die al sinds zijn promotieonderzoek de sociale en economische geschiedenis van het Perzische kerngebied bestudeert, tijdens lange avonden met veel wijn en gezelligheid een beetje ingewerkt in de historische context. Zo’n speurtocht in een andere tak van sport heeft iets avontuurlijks; je moet het niet te vaak doen, maar deze afwisseling maakt het allemaal wel erg interessant. Het was in ieder geval het juiste soort samenwerking voor mij, leuk en verrijkend, maar ook incidenteel, zonder de sleur van een jarenlang project. Gelukkig waren de redacteurs heel tevreden met het hoofdstuk.

Nu dus nog de recensie van de officiële editie. Dit fraaie boek werd me door twee verschillende tijdschriften aangeboden, een prestigieuze en een iets meer provinciale, maar ik heb voor het laatste gekozen omdat zij qua omvang meer ruimte bieden en sneller publiceren. Uitgebreide recensies zijn namelijk erg belangrijk in mijn vak (sommige boekbesprekingen zijn zelfs standaardartikelen geworden), omdat ze de mogelijkheid geven om allerlei feiten recht te zetten of nieuwe perspectieven te openen, om maar te zwijgen van hun functie als filter van een hoeveelheid publicaties die niemand meer bij kan houden. Je kunt meteen in discussie gaan over heel specifieke details zonder, zoals in een onderzoeksartikel, een overkoepelend verhaal te hoeven verzinnen. Dat is met name bij de voornaamste hulpmiddelen zoals tekstuitgaven, woordenboeken en grammatica’s cruciaal, want daardoor ontstaat een betrouwbaarder fundament voor iedereen die deze teksten in de toekomst gebruikt voor historische of taalkundige vraagstukken. Na ermee een tijdje gewerkt te hebben, probeer ik een coherente en genuanceerde evaluatie op basis van mijn opmerkingen te maken. De tijd gaat vliegensvlug voorbij; om kwart over twaalf is een geschikt moment voor een korte pauze. Daarna ga ik door met de recensie tot een uur of drie, dan is het mooi geweest.

Zaterdag

Om half twaalf word ik wakker, begin de dag rustig met wat kleinere huishoudelijke klusjes, lees de krant en speel piano. Na een yoghurt en een sterke espresso loop ik om half drie even naar de universiteit om mijn post te controleren en ontvangen overdrukjes te beantwoorden: een ouderwetse maar efficiënte en toch persoonlijke manier om op de hoogte te blijven zonder dat je er veel bij hoeft te zeggen. Geïnspireerd door een kort artikeltje dat ik in Rome heb gekregen laat ik ondertussen mijn gedachten bij wijze van vrije associaties gaan over de belangrijke rol die Jezuïeten in de beginfase van de Assyriologie en het ontginnen van astronomische teksten uit Mesopotamië gespeeld hebben. Daar was dus ruimte voor, en terecht, want de vooruitgang in de Geesteswetenschappen komt toch vaak uit de intellectuele buzz van heel specialistische en perifere disciplines. Terwijl wij vandaag de dag steeds harder moeten vechten tegen de overmacht van de mainstream.

Om vier uur ben ik weer thuis en ga gedurende de volgende uren verder met de Aramese teksten uit Bactrië. Ik heb wel degelijk iets toe te voegen aan de meestal zeer betrouwbare maar soms wat zuinige grammaticale, taalkundige en historische analyse in de editie. Echter, over een aantal merkwaardige verschijnselen zit ik al maandenlang te piekeren en kom er nog steeds niet uit. Het zijn nogal technische vragen die echter belangrijke gevolgen kunnen hebben voor ons begrip van de taalsituatie in het Perzische Rijk over het algemeen en de rol van het Aramees in het bijzonder. Waarom gebruikten ze de ene taal voor de bonnetjes van de financiële administratie, de andere voor brieven met orders aan ambtenaren en – hoogstwaarschijnlijk – weer een andere in de persoonlijke omgang met elkaar?

Je kunt in dit soort gevallen alleen maar blijven lezen en nadenken, hopende op serendipiteit. Ook in de natuurwetenschappen slaan mensen voortdurend veel gegevens in hun geheugen op; zodra ze iets tegenkomen dat op iets lijkt dat ze eerder een keer hebben gezien, onderzoeken ze het dwarsverband, en daar vloeien dan geregeld belangrijke inzichten uit voort. Of neem de classici van de oude stempel, die grote commentaren schreven: ze leerden vaak hun tekst helemaal uit het hoofd en lazen vervolgens de hele primaire literatuur, altijd op zoek naar iets wat misschien licht op één bepaalde passage zou kunnen werpen. Zodra je op een onverwacht moment een inzicht hebt, dient het ambacht van de wetenschappelijke discussie en de uitwerking van de argumenten vaak alleen ertoe om de aanvankelijke intuïtie te bevestigen en te objectiveren. Vanmiddag doet zich zo’n magisch moment helaas niet voor. Geen ramp. Om zes uur houd ik een pauze, speel een beetje piano en hang op de bank naar Gesualdo te luisteren. Ik begrijp hem helemaal.

Tussen zeven en acht uur bekijk ik nieuwe afleveringen van een aantal wetenschappelijke tijdschriften die ik regelmatig volg en maak wat aantekeningen. Om acht uur wordt het tijd om te eten: ik kook graag en vaak, hoewel zonder grote ambities (daar heb je immers mensen voor die het écht kunnen), en maak daar met name in het weekend met plezier iets meer tijd voor vrij dan gedurende de week. Afgelopen zomer kreeg ik een glaasje Piment d’Espelette van iemand die ik nog uit Heidelberg ken. Ik had toen met haar op de spectaculaire Dürer-tentoonstelling in Neurenberg afgesproken, ze had het meegebracht van haar vakantie in Frans Baskenland. Het wordt gemaakt door het vermalen van een pepertje dat ze alleen daar kweken: intens, niet te heet en zo rood als de schoenen die zij vroeger altijd droeg! Ik doe mijn best om dit heerlijke ingrediënt tot zijn recht te laten komen. We bellen eens in de zoveel weken voor een uurtje of langer; vanavond is het weer zover. Ze vertelt over een ingreep, die gelukkig erg meeviel, ik over Rome.

Om half elf ga ik weer aan de slag. Er zijn intussen twee uitnodigingen voor lezingen op conferenties binnen gekomen, een Bijbelwetenschappelijke en een oudhistorische. Congressen zijn niet aan mij besteed: de drukte, de vele mensen, het strakke programma, dat hoeft van mij niet. De eerste zeg ik meteen af, ook omdat het een onderwerp op het gebied van mijn promotieonderzoek betreft, waarover ik gedurende de laatste twaalf jaar met uitzondering van één artikel niet meer actief gewerkt hebt en waarvan ik de actuele stand van zaken behoorlijk saai vind; de tweede lijkt me op zich wel leuk, ik denk er even over na. Om één uur krijg ik opeens zin in een filmpje en geef daar aan toe. Het wordt één van de nieuwe aanwinsten. De melancholie van het einde begeleidt me om tien over drie naar bed.

Zondag

Vanochtend word ik om kwart voor twaalf wakker en blijf nog even liggen om plannen voor vandaag te maken. Helemaal uitgerust lees ik eerst bij een espresso enkele mails, speel wat piano en ga vervolgens op pad voor een dagje Amsterdam. Ik heb een abonnement op de “Meesterpianisten”-reeks in het Concertgebouw – vanavond speelt Grigory Sokolov Schubert en Beethoven – en verbind de concerten altijd met culturele belevenissen in de hoofdstad.

De keuze valt dit keer op het EYE. Gaaf hoe elke deurgreep de vorm van het hele gebouw imiteert! Ik breng bijna meer tijd in de dvd-afdeling van de winkel toe dan in de expositie over Oskar Fischinger, die vanwege het samenspel van abstracte vormen en klanken erg boeiend is. Achteraf ga ik voor de Heilige Mis naar de Krijtberg. De kerk is prachtig en over het algemeen houdt men zich daar ook min of meer aan het misboek (ik heb namelijk weinig begrip voor zogenaamde creativiteit in de liturgie en kan op zijn tijd zelfs een Tridentijnse Mis waarderen, maar die is in Amsterdam voor mij gewoon te vroeg).

Vervolgens even eten en dan eindelijk naar het concert! Sokolov speelt werkelijk fenomenaal: onmodieus, consistent en heel intens; je hoort iedere toon, mooi en glashelder, en zelfs na de Hammerklaviersonate, die hij tot een eenheid weet te vormen, heeft hij nog energie voor een heel reeks toegiften. Er zijn ook vrij weinig opnames van hem. Dat heeft iets aantrekkelijks: werken alleen voor de kairós van de live-uitvoering. Ik probeer dit zelf soms bij lezingen die dan ongepubliceerd blijven. Tijdens het concert kom ik een zeer muzikale vriend en collega met zijn uiterst geestige en charmante vrouw tegen – een mooiere bekroning van deze avond en de hele week is niet te verzinnen.

Om tien over twaalf ben ik weer thuis, beantwoord enkele mails, rond dit dagboek af en stuur het om drie uur op. Er is veel gebeurd in de afgelopen zeven dagen. Ik had me oorspronkelijk opgegeven in de verwachting dat het vooral colleges en vergaderingen in Leiden zouden zijn, maar het pakte anders uit. Aan het eind van een algemeen college over filologie en tekstkritiek voor de onderzoeksmaster Linguistics afgelopen jaar vroeg me een ietwat vrijmoedige studente wat ik nou eigenlijk de hele dag doe. Het is, zo te zien, onvoorspelbaar; maar saai is het nooit.

 


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken