De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 27: dagboek van Holger Gzella (deel 1)

21 maart 2013

Weekdagboek van een wetenschapper: Holger Gzella (UL) van 11 tot en met 17 maart 2013. Holger is een expert op het gebied van talen uit de wereld van het Oude Testament.

Maandag

Et sic venimus Romam, “En alzo gingen wij naar Rome” – dit citaat uit de Handelingen der Apostelen schiet me iedere keer te binnen als ik de Eeuwige Stad bezoek. Ik heb er tussen 1999 en 2002 drie jaar lang gewoond en aan het Pauselijk Bijbelinstituut gewerkt, een gespecialiseerde instelling onder leiding van de paters Jezuïeten die na een rigoureuze opleiding het licentiaat en het doctoraat verleent. Mijn toenmalige begeleider is intussen een goede vriend van mij en nodigt me met enige regelmaat uit om hier gastcolleges te geven. Omgekeerd komt hij elk jaar met een groep van zijn studenten twee weken voor de “Semitic Summer School” naar Leiden om daar aan een uiterst internationaal en gemengd publiek onderwijs aan te bieden. Een onverwachte brug tussen twee behoorlijk verschillende werelden, al heeft ook het Vaticaan de Bologna-overeenkomst ondertekend.

Mijn vlucht vertrekt al om 9:50 uur, wat voor mij als een nogal extreem avondmens weinig slaap betekent. Ik heb gemiddeld acht uur nodig om helder en productief te kunnen zijn en let vrij nauwkeurig erop om die te krijgen (meestal zonder in dit opzicht tot enig compromis bereid te zijn). Daardoor heb ik geen slaapachterstand, waardoor ik ook een keertje met de helft kan. Om me mentaal voor te bereiden, heb ik ’s nachts nog een keer “La finestra di fronte” op dvd gekeken, een film die me qua sfeer veel meer boeit dan qua plot. Rome zit ook voor mij vol van door elkaar heenlopende herinneringen in verschillende biografische contexten, en het is altijd intrigerend om te zien hoe zich het langetermijn geheugen van die stad van de Oudheid via de middeleeuwen tot het heden en miniature reproduceert in de beleving van de afzonderlijke bezoeker.

Vroeg in de middag kom ik na een voorspoedige reis aan op het Bijbelinstituut aan de Piazza della Pilotta, waar ik ook woon, op een steenworp afstand van de Trevifontein, in een eenvoudig maar functioneel appartement voor gasthoogleraren, halverwege tussen de Jezuïetencommuniteit en de buitenwereld, wat ook mijn eigen verhouding met het instituut mooi tot uitdrukking brengt. De medewerkers verwelkomen me hartelijk. Tijdens een koffie met mijn gastheer spreken we kort de colleges op dinsdag en woensdag alsmede een aantal praktische zaken door.

Zoals bij elk verblijf hier loop ik eerst naar het Pantheon om mijn gevoel voor proportie bij te stellen. Dan gaat het verder naar het Vaticaan om iets van de gespannen sfeer vlak voor het begin van het conclaaf te proeven (overal liggen journalisten op de loer); vervolgens struin ik doelloos door de stad om in gedachten mijn colleges preciezer te plannen en keer via de mooie joodse wijk terug. Voor een uitvoerige update blijft genoeg tijd gedurende een etentje bij onze gebruikelijke tent, “Cul de Sac” vlakbij de Piazza Navona. We kennen elkaar nu veertien jaar en spreken evenveel over vakinhoudelijke als over persoonlijke dingen. Volgens mijn gastheer zullen we woensdagavond weer een paus hebben. Één van de kanshebbers is zelf alumnus van het Bijbelinstituut. Ik maak nog wat aantekeningen voor dit dagboek en ben moe genoeg om rond middernacht (op zich best vroeg voor mij) naar bed te gaan. Het duurt wel nog een poosje om de verschillende indrukken te laten zakken en in slaap te vallen.


Dinsdag

Om twintig over acht sta ik op en geef in de ochtend meerdere gastcolleges in een Engelstalige reeks over Bijbels Hebreeuws voor zeer gevorderden. Het Bijbelinstituut is de meest internationale omgeving die ik ken. Het was tot medio twintigste eeuw hét katholieke centrum voor de wetenschappelijke Bijbelexegese, met een bijzondere focus op talen, filologie, geschiedenis en archeologie. Ondertussen komt het leeuwendeel van de rond 300 studenten met meer dan 70 nationaliteiten, meestal priesterkandidaten, priesters en zusters, maar ook leken en mensen zonder religieuze affiliatie, uit Latijns Amerika, Afrika en Azië. Velen zullen in hun land van herkomst zelf docenten Bijbelwetenschappen worden, sommigen kerkelijke beleidsmakers. Ze hebben niet dezelfde voorkennis als studenten uit West Europa maar zijn vaak de meest begaafden van hun lichting en komen naar Rome om hier de beste mogelijke vervolgopleiding op dit vlak te krijgen, dankzij een aan vooraanstaande universiteiten in de VS en Europa gepromoveerde staf en een befaamde bibliotheek.

Het is een uitdaging om het enorme potentieel dat deze studenten meebrengen vruchtbaar te maken zonder dat het ontbreken van een westerse gymnasiumachtergrond een belemmering wordt. Zonder de ideeën die ik hier opgedaan heb zou ik nu niet hoogleraar in Leiden zijn, dus ik geef graag iets terug en laat zien wat inscripties uit de negende eeuw v.Chr. ons vertellen over de onmiddellijke taalkundige context van het Klassiek Hebreeuws en zijn transformatie van een plaatselijk dialect in de kanselarijtaal van een kleine staat die maar geleidelijk vorm kreeg. In tijden van een onoverzienbaar pluralisme van manieren om de Bijbel te lezen vormt de historisch-filologische benadering een belangrijk ijkpunt voor elke wetenschappelijke uiteenzetting, want je moet het ambacht beheersen en weten wat er nou echt staat. Het is echter niet de enige toegang: een muziekstuk of kunstwerk kun je ook wetenschappelijk analyseren én persoonlijk tot je laten spreken. Van het spanningsveld tussen geloof en wetenschap lig ik dus niet wakker, al ontken ik niet dat het bestaat.

Ik geef hier maar een paar colleges, geen belangrijke lezingen, en voel me daarom bijzonder vereerd dat een enkele collega’s van andere instellingen in Rome aanwezig zijn. Vanwege zijn internationale profiel, zijn rijke bibliotheek en zijn kleine maar fijne uitgeverij fungeert het Bijbelinstituut sinds zijn oprichting in 1909 als bindmiddel tussen de kerkelijke instituten, de openbare universiteiten van Rome en de verschillende buitenlandse instellingen. Met een emerita hoogleraar van de Sapienza, die ik al lang ken en zeer waardeer, ga ik koffie drinken om even bij te praten.

Na een frugale lunch in een bar stuur ik mijn moeder een postkaart met een foto van de Spaanse Trappen en het hotel waar we bijna twintig jaar geleden de zestigste verjaardag van mijn vader hebben gevierd. Het is namelijk de eerste keer dat ik na zijn overlijden anderhalf jaar geleden weer in Rome ben. Vervolgens neus ik wat rond in verschillende boekwinkels rondom de Piazza della Pilotta en ontsnap zo aan de regenbuien die in Rome best wel heftig kunnen zijn. “Herder” op de Piazza Montecitorio, een institutie van het ook voor mij hartverwarmende Deutschrömertum en toch met name op mijn interessegebieden erg internationaal, is helaas sinds enkele maanden dicht: een gevolg van de crisis op de boekenmarkt, de bezuinigingen van de Italiaanse overheid op de culturele sector (waardoor zich academische instellingen, die hier in het verleden veel kochten, nu duidelijk minder buitenlandse boeken kunnen veroorloven) en de hoge huurprijzen in het centrum, dat daardoor geleidelijk ontvolkt raakt.

Bibliografische volledigheid in de Geesteswetenschappen vind ik overigens geen doel op zichzelf. Ik hecht er ook niet meer zo veel waarde aan om door middel van uitvoerige voetnoten te laten zien hoe knap en geleerd ik ben, maar beperk me ondertussen liever ertoe om mijn eigen gedachten alleen kort in het wetenschappelijke discours te contextualiseren. Desondanks probeer ik om de secundaire literatuur ook in andere moderne talen enigszins bij te houden, zeker omdat buiten Europa steeds meer mensen alleen maar publicaties in het Engels ter kennis nemen, waardoor globalisering in de wetenschap gauw samen kan gaan met een nieuwe bekrompenheid. Daar heb je het Jezuïtische agere contra weer. De stelling omtrent de absolute voorrang van het Engels in “de” wetenschap zou bovendien wat genuanceerd moeten worden: er zijn Koreaanse Bijbelwetenschappers die eerder Duits dan Engels lezen, en als je in de bestudering van Berbertalen niet ook in het Frans publiceert, tel je niet mee.

Vervolgens ga ik naar de bibliotheek om de voorbereiding van mijn college morgen af te sluiten en drink tussendoor koffie met een collega die ik daar toevallig tegenkom. Ondertussen begint het conclaaf. Om acht ga ik met mijn gastheer en twee andere collega’s (waaronder een studiegenoot gedurende mijn eigen verblijf in Rome en Jeruzalem en nu zelf docent Hebreeuws aan het Bijbelinstituut) eten in het onpretentieuze “Dodo” in de Via dei Serpenti. Na een inspirerende avond sleutel ik toch nog wat aan mijn college en ga om één uur naar bed.

Woensdag

Weer om twintig over acht op voor het college om half tien, dit keer in een andere reeks, een verplichte cursus grammatica van het Bijbels Hebreeuws, waar de voertaal Italiaans is. Ik pas me aan. Het Klassiek Hebreeuws lijkt erg gestandaardiseerd vanwege de invloed van officiële schrijvers aan het hof en de Tempel van Jeruzalem. Beneden het oppervlak zie je echter nog veel sporen van variatie, wat onder meer wijst op een naast elkaar bestaan van verschillende dialecten en stilistische niveaus. Ik leg dit uit in het licht van twee latere privébrieven uit de tweede eeuw n.Chr. die men bij de Dode Zee gevonden heeft en die een heel ander soort Hebreeuws met veel Aramese invloeden vertonen. Dit is een aanleiding om wat algemene dingen over taalcontact te vertellen.

Ook hier schuiven weer deelnemers van buiten aan, zoals een promovenda van een collega uit Naples, die zelf niet aanwezig kan zijn. Ze heeft het e.e.a. van mij gelezen en wilde me een keer persoonlijk meemaken. Ook tijdens het college had ze een aantal rake opmerkingen. Ik sta zelden stil bij de receptie van mijn werk en beschouw het eerder als flessenpost, nog steeds elke keer lichtelijk verbaasd dat mensen in het buitenland de moeite nemen om het te bestuderen. Mijn primair drijfveer is niet andermans hoofden te vullen, ik doe dit gewoon omdat ik niet anders kan. Achteraf drink ik koffie met een aantal mensen en probeer enkele bestuurlijke zaken te regelen via de mail. Veel gezeur. Zelfs tijdens het conclaaf is het overal business as usual.

Ertussen zit een bericht van een buitenlandse MA studente van ons in Leiden, die net een promotieplaats in Austin, Texas, heeft gekregen. We hebben een vrij goede placement rate en mikken doelbewust op kwaliteit eerder dan massa: je hebt immers maar een paar mensen nodig om een bepaald niveau van expertise in de maatschappij op peil te houden, maar die moeten hun vak wel beheersen. Een ruim bovengemiddeld aantal MA studenten van ons slaagt er dus in om promotieplaatsen aan goede universiteiten in het binnen- en buitenland te verwerven. Dat beseffen de voorstanders van de middelmaat natuurlijk niet, die nu steeds vaker omhoog lijken te vallen en “vanwege het financieringsmodel” (alsof je reputatie geen kapitaal is) vooral grote aantallen willen.

Rond de middag ga ik weer naar een bar voor een eenvoudige lunch en vervolgens naar de Titiaan tentoonstelling in de Scuderie del Quirinale. Vooral de enigmatische “Allegorie van de tijd” tegen het einde raakt me: inmiddels over “het midden van onze levensweg”, groeit in mij het verlangen om iets zinnigs te doen met mijn beste jaren en verschillende lijnen bij elkaar te brengen. Het is in mijn vak niet zoals in de wiskunde of de theoretische natuurkunde, waar mensen vaak hun belangrijkste ontdekkingen doen tussen begin twintig en begin dertig, misschien omdat de hersenen voor dit enorme abstractieniveau bijzonder flexibel moeten zijn, net als het lichaam in de topsport. Voor de Geesteswetenschappen daarentegen zijn ervaring, intuïtie en een geschoold oordeel minstens zo essentieel. Ik werk er hard aan om ruimte te scheppen voor rust en focus en me regelmatig te onttrekken aan drukte en versnippering, want langzaam beginnen verschillende dingen op hun plaats te vallen. Als dat soms wat asociaal overkomt: niets aan te doen, maar bepaalde vormen van bezigheidstherapie op de universiteit moet je écht boycotten. Indignez-vous!

Later ga ik voor twee uurtjes naar de bibliotheek om wat voorwerk te doen voor een hoofdstuk voor een nieuw handboek over “Scholarship and Inquiry” in het Oude Israël dat vlak voor mijn vertrek van mij gevraagd werd. Mijn publicatiebeleid is nu vooral “reactief”, dat wil zeggen het zijn op dit moment bijna altijd opdrachten, niet onderwerpen die ik zelf verzonnen heb. Daar moet ik eigenlijk wat aan doen, maar de schets van het beoogde boek oogt zo interessant dat ik toch toegezegd heb. De bibliotheek van het Bijbelinstituut is bijna helemaal open shelf, alles thematisch geordend en dus ideaal als je nog niet weet hoe je bijdrage eruit gaat zien. Het is veel te vroeg voor een concrete uitwerking, maar ik krijg snel een aantal ideeën aangaande de “grote lijnen”.

Hier kom ik een andere van mijn voornaamste leermeesters van vroeger tegen. We praten over een onderzoekje waaraan ik in die tijd ben begonnen toen het in principe nog een optie voor mij was om in de Assyriologie (de bestudering van de culturen van het antieke Mesopotamië, een aanpalend maar toch verschillend vakgebied) verder te gaan. Echter, in verband met andere werkzaamheden en een duidelijkere focus op de talen van het Oude Testament, hun onmiddellijke context en steviger taalkundig onderbouwde benaderingen werd dat niets. Wie niet oppervlakkig wil worden, moet immers keuzes maken, dus het komt soms voor dat je iets niet af kunt ronden. Ik heb natuurlijk wel geprobeerd om dingen te vinden die toekomst hebben maar ben er verder nooit erg strategisch mee omgegaan en heb me gewoon gecommitteerd aan onderwerpen die ikzelf leuk genoeg vond om er jaren van mijn tijd aan te wijden – dat dan echter wel serieus. Liever stijl dan mode.

Hij heeft het nu ondertussen allemaal zelf uitgezocht, veel grondiger dan ik het ooit had kunnen doen, en zit op dit moment een uitgebreid artikel erover af te ronden, waarvan hij een aantal resultaten met mij deelt. De onderzoeksvraag? “Hoe mensen in het oude Mesopotamië elkaar beledigden en uitscholden” – tot nu toe heeft daar niemand ooit systematisch over gewerkt, dus het is erg leuk dat het eindelijk een keer gebeurt. Er zijn waarschijnlijk wat Leidse bestuurders die ernstig betwijfelen of ik daadwerkelijk afscheid heb genomen van dit onderwerp, maar dat terzijde. Slauerhoff, die helaas geen functioneringsgesprekken met mij voert, zou het begrepen hebben. Verder somberen we nog over de desastreuze situatie aan de Italiaanse rijksuniversiteiten, met name in Rome, waar bijna de hele bestudering van het Oude Nabije Oosten door middel van een bezopen personeelsbeleid de nek is omgedraaid. Dit hele probleem is structureel in Italië, vandaar ook de exodus van veel zeer gemotiveerde en getalenteerde Italiaanse junior-wetenschappers. Hoe daar een hele generatie verloren gaat voor de Italiaanse wetenschap, denk ik.

Mijn gastheer is net zo’n cineast als ikzelf, dus ook deze keer gaan we weer samen naar de bioscoop. Het wordt “Educazione siberiana”, een nogal zwaarmoedige film over zelfrespect en loyaliteit met naast John Malkovich een heleboel onbekende en dus nog onverbruikte acteurs. Tijdens het eten in een eenvoudige pizzeria (“Piccolo Buco”) achteraf horen we dat er een nieuwe paus is, voor het eerst in de geschiedenis een Jezuïet, net als mijn gastheer. Uiteraard een onderwerp ook onder de overige gasten en in het Bijbelinstituut, maar men is er vrij nuchter en relaxed over: Rome heeft in haar lange geschiedenis al zo veel gezien.

Het regent niet meer, dus ik loop zoals vroeger nog een uurtje door de vanavond reeds om half elf opvallend stille binnenstad – niet helemaal als in de openingsscène van “Vanilla Sky”, maar toch een beetje in die zin. Ik volg nog even de berichtgeving over de nieuwe paus, vind hem erg sympathiek overkomen en heb geen enkele twijfel dat hij ook de andere, mystieke kant van Franciscus kent, die op de schilderijen van Caravaggio of Zurbarán. Alle reden om uit te zien naar dit pontificaat. Rond half een ga ik tamelijk uitgeput naar bed, want de gesprekken, de colleges en de belevenissen van de afgelopen drie dagen hebben veel energie geëist.


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken