De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 15: dagboek van Bé Breij

7 oktober 2013

Weekdagboek van een wetenschapper: Bé Breij (Radboud Universiteit Nijmegen) van 3 tot 9 december. Bé Breij doet onderzoek naar de sociaal-culturele problematiek van het Romeinse Rijk op basis van retorische teksten.

Maandag 3 december

Ik word om half negen wakker in een piepklein bedje in een piepklein hotelkamertje in Rome, vlakbij station Termini, waar ik sinds vrijdag verblijf met een groep studenten van het interdisciplinaire honours-programma van de Radboud Universiteit. Het was de afsluiting van de cursus Het Gelijk van Obama, waarin ik ze heb geleerd (en laten leren, door gastdocenten) over retorica van Cicero tot Obama, over retorica en pleiten, retorisch denken voor juristen, reclames, de overtuigingskracht van narratieve teksten, over de Sportpalastrede van Goebbels en het populisme van Wilders.

In Rome hebben we onder leiding van een goede collega, archeologe en oud-historica Nathalie de Haan, ruim twee dagen gekeken naar visuele retorica: de manier waarop antieke bouwkunst en sculpturen een boodschap van Romanitas (Romeinsheid) overbrengen, en de manier waarop de negentiende-eeuwse Italianen en later de fascisten zich die hebben toegeëigend. In Rome is niet zo’n grote schoonmaak gehouden als in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog: het Olympisch Stadion bijvoorbeeld, door Mussolini aangelegd als één brok verheerlijking van het fascisme, wordt keurig onderhouden.

ObeliskBeBreij2.jpg

Foto: Op de zijkant van deze mooi gepoetste obelisk, die niet lang geleden een nieuw gouden dekseltje heeft gekregen, zie je bijvoorbeeld zelfs dat hij bij de aanvang van het regime van Mussolini een nieuwe jaartelling liet beginnen: anno X, dat wil zeggen 1932.

Half negen dus, want de dagen ervoor was het iedere dag zeven uur en gisteren was de grappa erg lekker. In het ontbijtzaaltje kom ik een stel uitzonderlijk duffe studenten tegen – eentje zelfs in pyjama – zij hebben ook een mooie laatste avond gehad. De terugreis duurt lang, maar verloopt goed en ik kom heel tevreden aan in Nijmegen, waar mijn vriend Marc me van de trein haalt. Thuis word ik blij verwelkomd door de twee katten, Max en Ventje, die ik anderhalve maand geleden heb geërfd van een overleden collega. Ik ben blij dat ik ze weer zie en dat het goed met ze gaat; ik voel me extra verantwoordelijk door de droevige reden waarom ik ze heb gekregen en wie weet kijkt Monique van achter een wolkje mee.

Als we eenmaal op de bank zijn neergestreken komt Marc met iets akeligs: een boze brief van een mij verder onbekende man die vorige week aanstoot heeft genomen aan de manier waarop ik (als voorzitter van onze examencommissie) een diploma-uitreiking heb voorgezeten. De brief is uiterst persoonlijk en kwetsend. Ik probeer hem weer te vergeten en te denken aan de moeder van een studente die mij bij diezelfde gelegenheid met tranen in haar ogen bedankte, maar moet toch aan wat uurtjes slaap inboeten.

Dinsdag 4 december

Met frisse moed sta ik op en fiets de 6 kilometer naar mijn werk, waar mij een forse voorraad emails wacht, maar ook een stel leuke collega’s en een college Ovidius aan de eerstejaars studenten, een bijzonder gezellige en intelligente groep. We werken hard en lachen veel. ’s Middags is het tijd om – hoera! – aan de zelfstudies te schrijven, dat wil zeggen de rapporten van de bachelor Griekse en Latijnse Taal en Cultuur en de master Oudheidstudies, bedoeld voor de onderwijsvisitatie die ons in het voorjaar te wachten staat. Ik produceer een bevredigende hoeveelheid ambtelijk proza en mag dan nog even bezig zijn met onderzoek: een rapport schrijven voor een wetenschappelijk tijdschrift over een artikel dat daar is ingediend – peer review dus. Het artikel is goed maar erg Italiaans: veel omhaal van woorden. Tegen zessen vertrek ik voor de aangename dingen des levens, boodschappen doen en koken. Ik vind dat prettige dingen om de dag bij door te nemen en waar nodig van me af te laten glijden. ’s Avonds werk ik aan de vele laatste puntjes die nog op de i’s moeten van het boek dat ik heb geschreven, totdat ik zo scheel zie van het vervangen van – door -- en het cursiveren van ThLL dat ik mezelf met een glas wijn, de NRC en A.S. Byatt naar de bank jaag.

Woensdag 5 december

Sinterklaas! Maar dat vieren wij – merkwaardig genoeg – altijd met oud en nieuw. Het was een rommelig dagje. Andermaal de zelfstudie, ditmaal in overleg met opleidingscoördinator Stephan Mols, archeoloog, die net als ik ervaart hoe geestdodend het is om dat wat je met hart en ziel doet te moeten omschrijven in termen van contacturen, onderwijsintensivering, kwaliteitszorgcoördinatie – en er gelukkig ook om kan lachen. Verder een uurtje college voor studenten die niet goed mee kunnen met grammatica, een afspraak met een student die me iedere week even bijpraat over zijn psychisch en intellectueel welbevinden en natuurlijk de nodige mails. Waaronder een verzoek: “U zult hier wel verbaasd van staan te kijken, maar eens moet de eerste keer zijn...” en de vraag om een Nederlandse zin in het Latijn te vertalen voor een tatoeage. Het goede mens moest eens weten: er gaat haast geen week voorbij of ik vertaal “liefde overwint alles”, “ik dank alles aan mijn ouders”, “what doesn’t kill you makes you stronger” en zelfs “Herinner mij / maar niet in sombere dagen /Herinner mij in de stralende zon / hoe ik was toen ik alles nog kon” (Mementote mei / non tamen atris diebus / Mementote mei sole fulgente / ut eram dum omnia poteram) – dat past niet op een enkel! Ik bewaar dit soort correspondentie trouw in een speciaal mapje in mijn mailbox, getiteld valorisatie.

Donderdag 6 december

De ochtend begint met een student die na een half jaar gebrek aan motivatie en veel te hoge werklast (veel van onze studenten staan al vanaf hun tweede bachelorjaar voor de klas) opduikt om over zijn masterscriptie te praten. Ik ben blij hem weer te zien, want hij is leuk en heel slim en ik ben benieuwd naar zijn werk, nu het ervan gaat komen. Dan weer zelfstudie... en weer een student met problemen, of ik wil helpen plannen... dan weer zelfstudie... en ineens is-ie af! Triomfantelijk kraaiend mail ik hem naar de verantwoordelijke ambtenaren en stoot dan mijn hoofd: nu moet ik verder met het artikel waaraan ik een tijdje geleden was begonnen (deadline: 31 juli 2012 – oei) en durf het niet goed terug te lezen. Zou er iets steekhoudends in staan? Want zo gaat het wel vaker: als ik een artikel schrijf,  komt er een moment dat ik vermoed dat ik in feite niets interessants te melden heb en dat mijn hersenen wellicht verdampt zijn. Maar nu het werk een tijdje heeft stilgelegen, heb ik genoeg afstand om het te kunnen lezen alsof iemand anders het heeft geschreven, en vind ik het helemaal niet onaardig.

Het is bedoeld voor een internationale bundel over declamaties, wetten en ethiek. Declamaties zijn mijn specialisme: dat zijn oefenredevoeringen, meestal juridische, die gedurende de hele oudheid de bekroning van het hoger onderwijs waren. Studenten kregen een casus op en een wet en mochten dan zelf kiezen of ze een aanklacht of een verdediging gingen schrijven. Maar ook volwassenen schreven graag declamaties en droegen ze voor in wedstrijdverband, en de leraren maakten ze als reclame. En omdat dat zoveel werd gedaan, werd het behalve oefening ook een literair genre. De wetten waren vaak fictief, de casus altijd. En om het een en ander een beetje spannend te maken, vaak spectaculair. We hebben redevoeringen over sadistische martelingen, kannibalisme, liefdesdrankjes, tovenarij, incest...

Vandaag schrijf ik over een tekst met als (fictieve) wet: wie zijn ouders in nood in de steek laat, verdient geen begrafenis. De casus luidt: een man wordt ontvoerd door zeerovers en schrijft naar huis om losgeld. Zijn vrouw heeft zo’n verdriet, dat ze blind wordt van het huilen. Hun beider zoon stuurt geen losgeld, maar vertrekt om de plaats van zijn vader in te nemen, hoewel moeder probeert hem tegen te houden. Zoon lost vader af en komt om. De piraten gooien hem in zee en hij spoelt aan. Moeder spant een proces aan om de begrafenis te verbieden.

Ik heb het pleidooi van vader voor mijn neus en analyseer de ingenieuze argumentatie die verschillende aspecten van wet en casus oproepen. Ik heb daar veel plezier bij, zoals de anonieme schrijver indertijd ongetwijfeld ook. Hij laat vader zeggen dat hij het zwaarder had met de piraten dan moeder met haar blindheid: ze heeft nog vier zintuigen over; ze is op de leeftijd dat ze toch alles al heeft gezien; ze is een vrouw dus ze heeft haar ogen niet heel hard nodig want ze komt nauwelijks buiten en, de mooiste, de helft van de tijd is het donker en kun je dus toch al niets zien.

Vrijdag 7 december

In de ochtend werk ik met veel vaart verder aan mijn artikel, maar de middag is gereserveerd voor allerhande feestelijkheden. Eerst is er het halfjaarlijkse seminar van De Antieke Wereld, mijn onderzoeksgroep. De opkomst is, vanwege de voorspelling van sneeuwstormen en andere gruwelijkheden, niet erg hoog, maar de lezingen zijn boeiend en divers. We leren over het belang van context bij het bestuderen van Griekse grafvazen, van de literatuurkritiek van navolgers van Aristoteles, van het beeld dat Horatius schept van Hannibal en van oud-Griekse monumentale plaatsen in de Romeinse tijd.

Daarna spoed ik me naar de uitreiking van de Bep Kuling-award, een prijs die door de RU wordt uitgereikt aan een medewerker die juist door zijn of haar tegendraadsheid veel voor de universiteit betekent, en die medewerker is dit jaar een goede vriendin van me. De plechtigheid is onplechtig en ironisch, wat strookt met de prijs, en natuurlijk wordt er een goede borrel geschonken. Dan terug naar de Antieke Wereldmensen om met hen nog even te borrelen, en vervolgens op naar Den Bosch, waar ik iedere vrijdag afspreek met mijn beste vriendin. Er ligt intussen ruim 15 centimeter sneeuw, maar de trein doet alsof het een stralende meidag is en brengt me keurig op tijd naar Brabant.

De avond is mooi, we hebben elkaar vanwege Rome twee weken niet gezien en praten honderduit. Mijn vriendin werkt voor een internet-apotheek en maakt lange zware dagen in een niet al te beste sfeer, maar als ze de deur achter zich dichtdoet, blijft het werk daar achter.  Soms zou ik dat ook wel willen...

zaterdag 8 december

... en om die reden probeer ik in ieder geval op zaterdag niet te werken. En dat lukte vandaag goed: het was een stralende winterdag. Ik heb lopend boodschappen gedaan en verder plezierig aangeklungeld, huishoudelijke werkjes, kranten bijgelezen, gebeld met vrienden en vriendinnen. ’s Avonds kijk ik zelfs tv, iets wat ik bijna nooit doe omdat ik me zo snel erger aan wat er te zien is. Maar een aflevering van Lewis gaat er wel in.

zondag 9 december

Met afstand de druilerigste dag van 2012 en daarom uitermate geschikt voor allerhande klusjes. Nog meer puntjes op de i’s van mijn boek en een lang hoofdstuk van een proefschrift dat ik begeleid. ’s Avonds reis ik af naar mijn moeder in Vught, die ik veel te weinig zie, en die heerlijk heeft gekookt. En dan sluit ik dit dagboek af.


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken