De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Week 13: dagboek van Ingrid Robeyns

29 november 2012

Ingrid RobeynsWeekdagboek van een wetenschapper: Ingrid Robeyns (Erasmus Universiteit Rotterdam) van 19 tot 25 november. Ingrid Robeyns doet onderzoek op het raakvlak van de analytische politieke filosofie, ethiek, economie, en genderstudies.

Maandag 19 november

De dag begon rond half vier, toen onze zoon van zes ziek werd. Dat werd dus een kort nachtje, al helemaal niet geholpen doordat ik midden in de nacht meestal moeite heb om weer in slaap te vallen: mijn hersenen (die ik duidelijk niet helemaal onder controle heb!) beginnen dan vaak een antwoord te zoeken op een filosofische puzzel. Vannacht was dat de vraag of stigma een andersoortig ethisch probleem stelt voor duidelijk zichtbare en onomstreden handicaps dan voor ‘gecontesteerde handicaps’. Dit soort vragen houdt mij als filosoof al een tijdje bezig, maar het is irritant dat ik deze denkprocessen niet kan uitschakelen om vier uur ’s nachts. Geen goed begin van de week.

Onze zesjarig kan niet naar school maar gelukkig kan mijn man zich vrij maken. Ik begin met een klusje van zondagavond af te maken. Gisterenavond heb een stuk geschreven over het belang van een expliciete evaluatie van waarden in de analyse van markten. Economen staan doorgaans huiverachtig tegenover expliciete waardeanalyse, en mijn argument is dat die positie hen hindert in het goed begrijpen van bepaalde fenomenen, maar ook in het beantwoorden van de cruciale vraag wanneer de markt een beter (of slechter) allocatiemechanisme is dan alternatieve mechanismes, zoals de overheid die een bepaalde dienst of goed aanbiedt, loting, of wachtlijsten. Nadat de kinderen naar school zijn, begin ik deze week met dat stuk nog een keer op taalfouten door te lezen, en plaats het daarna op Crooked Timber, de internationale blog waar ik af en toe voor schrijf.

Ik spoed me dan van mijn woonplaats Utrecht naar Rotterdam, waar ik als hoogleraar praktische filosofie aan de Erasmus Universiteit verbonden ben. In de trein lees ik de laatste pagina’s van het paper dat we deze middag in de maandelijkse bijeenkomst met mijn aio’s en postdoc zullen bespreken. Op de universiteit neem ik eerst wat praktische zaken door met de secretaresse van de faculteit. Voor het 12 uur is heb ik ook al een dozijn e-mails verstuurd om zaken te regelen die vooral met bestuur te maken hebben.

Van 12 tot 13 is er een lunchtime seminar, waarin mijn collega’s Conrad Heilmann en Constanze Binder een gemeenschappelijk paper presenteren. Het paper gaat over de vraag of ‘afstand’ vanuit moreel standpunt een valide en overtuigende reden kan zijn waarom onze plichten voor armen in ver-weg-gelegen landen kleiner zouden zijn dan de plicht voor mensen in nood in je eigen buurt. Peter Singer, de bekende utilistische filosoof, beargumenteerde in een klassiek paper uit 1973 dat afstand geen verschil uitmaakt voor onze morele plichten. Of je nu een kind kan redden door het uit een sloot te trekken, of een kind kan redden door geld over te maken naar Oxfam, in beide gevallen moet je het doen als het geen grote morele kost met zich meebrengt, betoogt Singer. Maar heel wat filosofen hebben beargumenteerd dat afstand er wel degelijk toe doet. Mijn collega’s proberen verschillende versies van dat tegenargument te ontrafelen, en zo deze filosofische discussie een stap verder te brengen.

Om 13 uur eet ik aan de computer een broodje terwijl ik een paar dringende e-mails beantwoord. Vandaag is de sluitingsdag voor een vacature voor een secretaresse, en ik krijg daar op het laatste moment nog allerlei vragen over.

Tussen 14 en 16 bespreken we het paper van de promovendus. Hij krijgt behoorlijk fundamentele maar wel opbouwende kritiek. In de politieke filosofie is de afstand tussen de auteur en de inhoud van de tekst vaak veel kleiner dan in andere disciplines, waardoor kritiek op een tekst vaak ook gepercipieerd wordt als kritiek op de auteur, ook al is dat zelden zo bedoeld. Dit zorgt er voor dat proefschriftbegeleiding in de politieke filosofie vaak ook een sterke ‘coachings’component heeft: eigenlijk ben je als begeleider ook vaak bezig met karaktervorming (zo zijn bijvoorbeeld sommige promovendi niet assertief genoeg, en andere dan weer veel te koppig waardoor ze niet open staan voor kritiek). Ik heb het wel eens gehad dat een promovendus me vertelde dat hij een week lang heel boos was geweest op mijn commentaar  op zijn eerste hoofdstuk, om daarna zelf te besluiten dat de commentaar terecht was.  Sindsdien kan hij veel meer voordeel putten uit de commentaar die ik op zijn stukken lever.

Na nog wat administratieve en bestuurlijke zaken geregeld te hebben ga ik terug naar Utrecht, haal onze jongste zoon van de naschoolse opvang, en ga naar huis. Gelukkig is de oudste zoon al opgeknapt – heel fijn voor hem en ook fijn voor zijn ouders, die morgen beiden college moeten geven en dus geen dag vrij kunnen nemen.

Om half acht begin ik met de voorbereiding van mijn college van morgen – maar onderbreek dat om de live uitzending van een debat in de Balie in Amsterdam te volgen op mijn computer. Het debat gaat over ADHD. Ik verbaas me al enige tijd over het hoog ideologisch gehalte van dat debat, en de mate waarin het publieke debat (waaraan ook veel wetenschappers deel nemen) stigmatiserend werkt (niet verbazingwekkend gegeven dat ik me in mijn onderzoek vooral met rechtvaardigheid bezig houd). Helaas valt na een tijdje de live stream uit, maar via twitterberichten krijg ik toch nog een redelijk beeld van wat er gezegd is.  Daarna ga ik nog even  verder met het voorbereiden van het college voor morgen, dat qua thematiek mooi aansluit: het gaat over het belang van erkenning en respect als we het over een rechtvaardige samenleving hebben.

Dinsdag 20 november

Ik vertrek al vroeg naar Rotterdam om het college verder voor te bereiden. We bespreken filosofische teksten die ik al meerdere keren gelezen en besproken heb, maar het is toch belangrijk om elke keer als je er over doceert de tekst nog eens te lezen. Dit is een vak dat door Master en Research Master studenten wordt gevolgd, waardoor de studenten doorgaans in staat zijn een scherpe analyse van de argumenten te maken, en ik zelf ook regelmatig wat nieuws leer bij dit vak. De studenten vertegenwoordigen alle posities die we ook in het Nederlandse debat over ADHD (en geestelijke gezondheidsproblemen) zien: de ene student beargumenteert dat stigma iets gepercipieerd is, en dat mensen zelf kunnen besluiten geen stigma te ervaren, omdat het een zuiver subjectieve ervaring is. Andere studenten vinden het argument dat het zuiver subjectief is veel te gemakkelijk. Ze zijn het er wel over eens dat het lastiger is om stigma te zien als onderdeel van onrechtvaardigheid, zoals bijvoorbeeld bij ongelijk loon voor gelijk werk – precies omdat het niet gemakkelijk objectief te vatten (en te meten) is. Maar dat betekent natuurlijk niet dat er geen objectieve component aan stigma en niet-erkenning zit: vaak werken die intersubjectieve processen door in objectieve benadeling, zoals discriminatie, uitsluiting, of pesten.

Na het college bespreek ik met een student zijn plannen om in de VS te gaan promoveren, en met mijn student-assistent de opdracht die ik hem gegeven heb om de publicaties van Amartya Sen uit de laatste jaren bijeen te zoeken: bij navraag bleek hij namelijk zelf geen up-to-date publicatielijst te hebben (Zouden de onderzoekers in Harvard University dan niet elk jaar hun ‘outputlijstjes’ moeten inleveren, of worden Nobelprijswinnaars daar misschien van vrij gesteld?).  Daarna begin ik aan een eerste selectie van de sollicitatiebrieven voor de vacature voor een secretaresse. Sinds september ben ik directeur van de landelijke onderzoeksschool ethiek (OZSE), maar omdat die onderzoeksschool in januari overgaat in de landelijke onderzoeksschool wijsbegeerte (OZSW), wordt er nu voor de OZSW een secretaresse en een coördinator geworven: voor de secretaresse-vacature kwamen maar liefst 168 brieven binnen.  Ik begin aan de selectie, maar ben bang dat het toch nog even gaat duren eer ik daarmee klaar ben.

Ik ga wat eerder naar huis omdat er een tien-minuten gesprek op de school van ons jongste kind plaats vindt. Twee leerkrachten die helemaal enthousiast zijn over ons kind, dus dat is mooi. Ik ga naar huis om met onze oudste samen wat te lezen, terwijl mijn man de jongste van de sport-bso haalt. Na het avondeten en de avondrituelen doe ik wat ik het vaakste ’s avonds doe: emails beantwoorden. Het is een totaal afgezaagde uitspraak dat de email stroom niet meer bij te houden is, maar dat maakt die uitspraak daarom niet minder waar.

Deze avond schrijf ik ettelijke e-mails over de OZSW. Er zijn nog een aantal hobbels te nemen bij het oprichten van de nieuwe onderzoeksschool. Een bron van deze hobbels is het feit dat van de 11 wijsbegeerte-afdelingen in Nederland er 4 een departement zijn in een faculteit geesteswetenschappen (en dus onder een decaan geesteswetenschappen vallen), er 3 autonome faculteiten zijn, en er 4 deel uitmaken van een andere faculteit (bijvoorbeeld wijsbegeerte bij de technische universiteiten). Dit leidt in de poging van de afdelingen wijsbegeerte om samen te werken tot een botsing van institutionele regels waaraan ze moeten voldoen – en de oplossing van die problemen is alles behalve gemakkelijk, en ontzettend tijdrovend – en, zoals mijn man fijntjes opmerkt, “tijd die je nergens kan declareren, en werk dat quasi onzichtbaar is”. Op deze manier is het natuurlijk geen wonder dat we 55-urige werkweken moeten draaien om ons werk gedaan te krijgen. Wist ik maar een manier om deze ‘red tape’ en bureaucratie te elimineren…

Woensdag 21 november

De juffen van onze jongste zoon hebben studiedag, dus hij heeft een ochtend vrij. Ik spreek met mijn man af dat ik hem tussen half tien en half één onder mijn hoede neem, dan kan ik eerst nog wat telefoontjes plegen en e-mails verzenden over dringende bestuurlijke zaken. 

Daarna gaan moeder en zoon op zoek naar anti-slip sokken en een puzzel van 200 stukjes. Beiden zijn niet moeilijk te vinden. We eten een broodje in de stad, wat voor een vierjarige een grote belevenis is, en daarna neemt mijn man beide kinderen onder zijn hoede. Ik heb de hele middag sollicitatiegesprekken met kandidaten voor het coördinatorschap van de OZSW. Als we daar tegen 18.30 mee klaar zijn praat ik met andere (toekomstige) bestuursleden van de OZSW nog over hindernissen op de weg naar de oprichting van de OZSW, en overleggen we over strategieën om die problemen op te lossen. Ik ben net op tijd thuis om de kinderen nog een lang verhaal voor te lezen en ze hierna op bed te leggen. Ik beantwoord nog wat e-mails alvorens naar bed te gaan.

Donderdag 22 november

De dag begint goed. In mijn inbox vind ik een email van Serena Olsaretti, een filosoof die ik nog uit mijn tijd aan de Universiteit van Cambridge ken. Zij vraagt me om een hoofdstuk bij te dragen voor het Oxford Handbook of Distributive Justice. Een hele eer, want de filosofen die al toegezegd hebben hoofdstukken te schrijven zijn de absolute top in dit vakgebied, dus dit belooft een belangrijk handboek te worden. Maar ik weet ook dat ik eigenlijk geen tijd heb, want ik heb het komende jaar al 3 boekprojecten lopen, en heb sowieso in mijn 40-urige werkweek de facto nauwelijks tijd om te schrijven. Dus ik pas ook zoals altijd de ‘techniek’ toe dat ik niet direct antwoord; maar deep down weet ik al wel dat ik ondanks tijdsgebrek dit wel ga doen. Too good to refuse. Ik zal gewoon resoluter moeten worden in het blokken van onderzoeks- en schrijftijd in mijn agenda. Wat minder schuldgevoel bij het bedanken voor een overdosis aan bestuurlijke klussen en het evalueren van andermans onderzoek en subsidieaanvragen zou ook al een hoop helpen.

Vandaag heb ik vier uur vrij geblokt om met Constanze Binder, een postdoctoraal onderzoeker, over haar onderzoeksproject te praten. Zij werkt op een project waarvoor ik een paar jaar geleden financiering verworven heb, over de vraag wat de methodologische vereisten zijn om rechtvaardigheidstheorie concreet toepasbaar te maken in de praktijk. Hoe vermijden we aannames en idealiseringen in de theorievorming die de theorie problematisch maken? Ik had in juni een idee voor een paper, dat we deze herfst samen zouden gaan uitwerken. Maar als ik nu naar mijn agenda kijk lijkt januari of februari realistischer… Desalniettemin maken we een voorzichtige start, door onze eerste ideeën met elkaar te bespreken, en na te gaan welke de kernbegrippen van de argumentatie zijn waarvoor we heldere definities en taxonomieën nodig zullen hebben.

Vanaf 14 uur probeer ik de resterende berg sollicitatiebrieven voor de secretaresse-vacature door te nemen. De bestuurlijke beslommeringen die continue in mijn tijd inbreken (via telefoon, e-mail of een decaan of directeur aan de deur) maken dat ik om half zeven nog steeds niet door de stapel heen ben. Maar ik moet nu echt naar huis. Tenminste, nadat ik eerst met mijn man een hapje ben gaan eten. Elke alternerende donderdag zorgt zijn zus naschools voor onze kinderen en brengt hen ook naar bed, tot grote genoegdoening van alle betrokkenen. De jongens zijn dol op haar, zij is dol op de jongens, en mijn man en ik hebben in ons jachtige leven even wat tijd voor elkaar.

Vrijdag 23 november

In mei en juni van dit jaar gaf ik, samen met de rechtsfilosoof en politiek theoreticus Roland Pierik (UvA), een PhD cursus over the filosofie van mensenrechten voor de promovendi van de OZSE. Omdat we allebei heel veel werk hadden, kwam het er maar niet van de papers van de studenten van commentaar te voorzien – dus hebben we enige tijd terug besloten deze dag daarvoor vrij te blokken. We overleggen wie welke papers gaat beoordelen en hoe we onze becijfering op elkaar afstemmen. Het zijn leuke papers om te lezen. Ik probeer altijd studenten zeer gedetailleerd commentaar te geven, omdat in de filosofie de kwaliteit van het geschreven woord cruciaal is: het is ons enige wapen, zou je kunnen zeggen. Het resultaat is dan ook dat ik op het einde van de werkdag niet klaar ben met mijn stapel papers: dat is dan weer jammer.

Mijn man sleurt me voor het avondeten mee naar de sportschool: ik vrees dat het ondertussen 2 maanden geleden is dat ik daar kwam. Het is volledig irrationeel (en dom), maar ik beschouw sporten als een luxe de ik me gegeven mijn werklast niet kan veroorloven. Ik weet ook (maar dan wel enkel als een stukje theorie) dat als je dergelijke activiteiten niet inplant in je agenda, ze niet gebeuren, omdat ze altijd sneuvelen onder de deadlines van de week en de noodgevallen van de dag, en neem me daarom voor sporten in mijn agenda te gaan inplannen. Okee, misschien is het realistischer om dat als een goed voornemen voor 2013 te zien. Maar dit soort typische ‘timemanagement’ truckjes lossen natuurlijk het eigenlijke probleem niet op: dat de totale werklast van vele universitaire medewerkers structureel veel te hoog is.

Als je minstens 50 uur werk per week ter verzetten hebt om alles te doen waar je op afgerekend wordt, en daarna nog twee (relatief jonge) kinderen op te voeden hebt, dan is de conclusie toch: something has to give. En dat is, als we heel eerlijk zijn, onze eigen gezondheid (en onze vriendschappen en hobbies). Het lijkt niet onrealistisch om te denken dat bezuinigingen op wetenschap door de jaren heen (treffend geanalyseerd door wetenschapsjournalist Arno van ’t Hoog) de druk op het zittend personeel aanzienlijk hebben verhoogd. In de enquête naar arbeidsomstandigheden die de Erasmus Universiteit eerder dit jaar liet uitvoeren kwam werkdruk dan ook als een vaak ervaren probleem naar voren. Volgens mij ligt de sleutel van het oplossen van dat probleem primair in Den Haag, waar men moet ophouden van wetenschappers met een kleiner budget meer te verwachten (vb. meer publicaties zodat we Nederland stijgt op de ranglijstjes, meer contacturen met de studenten, meer onderzoeksaanvragen (vb. voor Europese gelden), en meer kennisvalorisatie).

’s Avonds lees ik nog een stapel sollicitatiebrieven. Het resterende twintigtal is voor maandagochtend.

Zaterdag 24 november

Vandaag sta ik met de kinderen op, en dat is om half zeven. Uitslapen hebben ze nog niet geleerd, helaas. Daar zit de Sint ook wel voor iets tussen. Vandaag geen voetbaltraining voor de jongste en hockeytraining voor de oudste, want we rijden naar Rotterdam alwaar de Sint op de Erasmus Universiteit verwacht wordt.

Het is de eerste keer dat we naar het sintfeest op de EUR gaan, en het is erg gezellig. Ik ken de aula als plaats van oraties en andere academische plechtigheden, maar nu is het een vrolijke bedoening van twee komieken die grappen uithalen en met ons Sinterklaasliedjes oefenen alvorens de Sint zelf komt en nog wat kinderen laat zingen.

De rest van de dag brengen we door met typische zaterdagse gezinsactiviteiten. ’s Avonds kunnen de kinderen maar moeilijk in slaap vallen – ze zijn te opgewonden omdat ze hun schoen hebben mogen zetten en niet kunnen wachten om te kijken wat de Sint zal brengen. Als ze eenmaal in bed zijn kijken mijn man en ik nog twee afleveringen van The West Wing – we zijn in het laatste seizoen aan beland en ik vind het nu al jammer dat het over enkele weken afgelopen zal zijn.

Zondag 25 november

Ergens tussen half zes en kwart voor zes bedacht er een kinderkopje dat er misschien nu al wel iets in zijn schoen zou liggen. Vandaag is mijn uitslaapdag, en ik benijd mijn man niet. Gelukkig zijn ze blij met het nieuwe speelgoed en kunnen zichzelf daar wat mee bezig houden. Om tien uur gaat de ene zoon bij een vriendje spelen, en komt een vriendje bij onze andere zoon spelen.

’s Middags gaan de heren des huizes buiten voetballen, wat mij de ruimte geeft om dit dagboek te schrijven. Ik hoop maar dat de 50 dagboeken een beter beeld zullen geven van het leven van de wetenschapper. Ik ben bang dat de zorg, die iemand op Twitter uitte, dat het 50 weken lang ‘kijk eens hoe druk ik ben’ waar zal zijn: uit alle tot nu toe verschenen dagboeken spettert de hoge werkdruk er van af. Maar als dat de waarheid is, en dat tegelijkertijd als problematisch of onwenselijk wordt ervaren, dan lijkt dat belangrijk om te observeren – ook als de methode zo primitief is als een dagboek. Al helemaal bij gebrek aan grondige studies over de (evolutie van de) werkdruk bij wetenschappers in Nederland – tenminste, to the best of my knowledge. Een mooi thema voor tijdsbestedingonderzoekers!


Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken