De Jonge Akademie

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

Samenvatting enquête Wet werk en zekerheid (Wwz)

21 juni 2016

In maart 2016 heeft De Jonge Akademie een enquête uitgevoerd onder de 161 Veni-laureaten[1] van 2015 om inzicht te krijgen in de effecten van de Wet werk en zekerheid (Wwz). Deze wet is bedoeld om het onnodig en langdurig gebruik van tijdelijke contracten tegen te gaan. De vraag was met name of de Wwz een negatieve, positieve of geen impact heeft op de carrières van deze jonge, veelbelovende wetenschappers.

Op basis van de relatief hoge response rate van 68% (109 van de 161 laureaten) kunnen we concluderen dat de bevraagde groep Veni-laureaten zich bewust is van de mogelijke effecten van de Wwz. Ongeveer de helft (53%; n= 58) van de laureaten gaf aan dat de wet mogelijk invloed heeft op hun persoonlijke situatie (zie figuur 1a). Voor een minderheid, twaalf laureaten, pakte de wet positief uit. Dit betrof dan meestal het verkrijgen van een vaste aanstelling, of zicht op een vaste aanstelling middels een tenure track positie (zie figuur 1b). Hieronder gaan we in op de negatieve effecten door de beperking van de maximale duur van opeenvolgende tijdelijke contracten.

Figuur 1. Verdeling antwoorden. De linkerfiguur (a) geeft de verdeling van alle antwoorden weer. De rechterfiguur (b) focust enkel op de effecten.

Verplicht verhuizen

Bij vijf laureaten pakt de Wwz slecht uit omdat de initieel beoogde instelling de laureaat geen vast contract kon aanbieden. Daarom moest de laureaat verplicht naar een andere instelling verhuizen. Dit heeft uiteraard vaak gevolgen voor de betrokken onderzoeker. Zoals één van de respondenten verwoordt: “Terwijl mijn onderzoek wel aan instelling X uitgevoerd kan worden, is de apparatuur waarmee ik in mijn voorstel rekening gehouden had bij instelling Y aanwezig. Nu deze ontbreekt zal mijn onderzoek vertraging oplopen.” Dit is één van de voorbeelden van laureaten die als gevolg van de Wwz niet nogmaals een tijdelijk contract kunnen krijgen en daarom genoodzaakt zijn te vertrekken naar een andere instelling, terwijl de omstandigheden en/of faciliteiten aan de beoogde instelling beter zijn.

Ongemakkelijke oplossingen

Bij elf laureaten trachten instellingen de wet te omzeilen met diverse “creatieve” oplossingen. Enerzijds zijn er verschillende instellingen die laureaten een vast contract aanbieden met de conditie dat dit contract alleen wordt gecontinueerd zolang er sprake is van externe financiering. Of er wordt een clausule opgenomen die stelt dat het vaste contract betrekking heeft op een (minder gewenste) baan als niet-onderzoeker. Een andere, nog minder wenselijke aanpak is om de laureaat maanden later te laten starten, of de Veni-periode te onderbreken door hem of haar gedurende een half jaar onbetaald als gastonderzoeker te laten werken of om verplicht een sabbatical op te laten nemen.

Gevolgen van levensgebeurtenissen

Voor 24 van de betrokkenen is het onduidelijk of het mogelijk is zwangerschaps- of ouderschapsverlof op te nemen en/of wat de gevolgen zijn van een langdurig ziekteverlof, als dit betekent dat daarmee de grens van vier jaar wordt overschreden. Dit betreft meestal (15 van de 24) vrouwelijke laureaten. Niet verwonderlijk, aangezien vrouwen een Veni-project vaker in deeltijd (0.75 fte) uitvoeren, en zij te maken kunnen krijgen met zwangerschapsverlof. Volgens onze data voert 51% (26) van de vrouwelijke respondenten en 33% (19) van de mannelijke respondenten het project in deeltijd uit. In de woorden van één van de respondenten: “Dit [dat het project niet verlengd kan worden met de duur van het opgenomen zwangerschapsverlof] is tegengesteld aan alle goed bedoelde woorden over ‘een betere werk-privé balans’ en ‘het verhogen van het aantal vrouwen in de academische wereld’”.

Langer tijdelijk?

Gevraagd naar de maximale termijn van vier jaar voor opeenvolgende tijdelijke contracten aan dezelfde instelling geeft 45% van alle respondenten aan dat dit onvoldoende is; voor ruim 30% is dit voldoende; de rest heeft hier geen mening over. Eén van de voorstanders voor een langere termijn verwoordt het als volgt: “In de huidige situatie word je eerder ‘weggestuurd’ terwijl beide partijen op basis van een tijdelijk contract verder zouden willen gaan. De huidige wetgeving voldoet dus niet aan de wensen van zowel werkgever als werknemer. [...] Een vast dienstverband is niet per se een voorwaarde, maar een fijne interessante uitdagende baan wel. Het is kennisverspilling dat men als onderzoeker niet meerdere tijdelijke contracten aan kan gaan. Met name onderzoek is afhankelijk van externe financiering, zodat meerdere tijdelijke dienstverbanden zeker te beargumenteren zijn.”

Voorstanders van de maximale termijn van vier jaar, conform de Wwz, zijn er ook: “Ik ben voor de termijn van vier jaar, omdat ik denk dat alle jonge wetenschappers (zoals ook in andere sectoren) op een bepaald punt wat zekerheid verdienen in hun leven. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de wet die dit beoogt niet goed werkt. […].”

Risico op termijn

Zoals gezegd gaf ongeveer de helft van de respondenten aan dat de Wet werk en zekerheid hun persoonlijke situatie niet zal beïnvloeden. Wat De Jonge Akademie echter zorgen baart, is dat er binnen die groep nog elf laureaten zijn (20%) waarvoor de wet wel degelijk consequenties kan hebben in geval van ziekte, zwangerschapsverlof of ouderschapsverlof. Het gaat hierbij om laureaten die een tijdelijke aanstelling hebben nadat ze al eerder bij dezelfde instelling werkzaam waren, of Veni’s met een projectduur van 4 jaar. De Jonge Akademie vindt het ook een ernstige zaak dat de Wwz extra nadelig uitpakt voor vrouwelijke wetenschappers, omdat in veel gevallen de duur van hun Veni-project niet verlengd kan worden met de duur van zwangerschapsverlof en/of ouderschapsverlof.

Aanpassen Wwz noodzakelijk

De resultaten van onze enquête onder de Veni-laureaten van 2015 onderstrepen dat de ketenregeling in de cao (in lijn met de Wet werk en zekerheid) slecht uitpakt voor een grote groep veelbelovende jonge wetenschappers. Het behoeft weinig betoog dat de wet nog veel vaker negatief zal uitpakken voor de groep tijdelijke jonge onderzoekers en docenten zonder een Veni-beurs van een kwart miljoen euro. Niet voor niets pleit De Jonge Akademie al geruime tijd voor een (veel) kleinere aanvraagdruk in de tweede geldstroom (NWO) door meer middelen voor onderzoek rechtstreeks aan de universiteiten beschikbaar te stellen. Op die manier zullen meer talentvolle jonge wetenschappers een vaste aanstelling kunnen krijgen. Daarnaast benadrukken we opnieuw dat de gehanteerde termijn in de Wwz te kort is, en vooral jonge vrouwelijke wetenschappers benadeelt.

Martijn Wieling, Barbara Vis en Marieke van den Brink,
namens De Jonge Akademie




[1] Wetenschappers tot drie jaar na hun promotie die een beurs van NWO hebben gekregen van € 250.000 om drie tot vier jaar onderzoek te doen.



Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken